Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

systeem en de lessen der Vrije Universiteit voor hem klaar gemaakt. Vooral treft ons wederom de groote fout, die door heel de beschouwing van Dr. Van Lonkhuijzen heenloopt. Volgens Van Lonkhuijzen doet Kohlbrügge den mensch in zijn staat opgaan, terwijl het feitelijk zoo is, dal Kohlbrügge hetgeen de mensch is uit zijn staat verklaart. Volslagen wordt voorbijgezien, hoe juist, waar deze Waarheid van het gekruisigd zijn van Christus door den Heiligen Oeest wordt geloofd, de bijl aan den wortel van den zondeboom wordt gelegd, hoe de mensch daar niet door kan zondigen, hoe juist zóó de hoogmoed wordt verbrijzeld en de liefde gewerkt. Het inzetten in Christus heeft gevolgen. Daar is het oude voorbijgegaan en alles nieuw geworden; terwijl men juist bij de leer van het langzamerhand dooden der oude natuur, zooals ze gewoonlijk wordt voorgesteld, de zonde nog ten deele aan de hand kan houden. Ook verstaat Van Lonkhuijzen bij Kohlbrügge niet wat deze zoo dikwijls met het „ik" bedoelt, namelijk niet het middelpunt van het persoonlijk bewustzijn des menschen op zichzelf, alsof dat vernietigd werd, zooals in 't Boeddhisme min of meer geschiedt, maar aangezien hij den mensch altijd voorstelt in zijne verhouding tot God, zoo moet er steeds een zekere klemtoon op gelegd worden, — het is dat „ik", dat zich tegenover God wil handhaven, dat tegenover Hem toch iets wil zijn, iets wil gedaan hebben. Voor den Heere uit den weg gaan met zijn eigen „ik" is dus hetzelfde als: zondaar blijven, mensch blijven, afhankelijk blijven van den Heere God, afleggen al onze hoovaardigheid. (Schriftverklaringen 1901, bl. 234) Zóó is het ook in de preek over Gal. 2:20. Daar wordt door Van Lonkhuijzen voorbijgezien (bl. 448), dat Kohlbrügge ten ernstigste waarschuwt voor het misverstand, als zou Paulus alleen geschreven hebben: „Ik leef niet meer", en waarbij men zich van den Naam van Christus bediende, om wegens de ongerechtigheid der werken niet aangevochten te worden (bl. 21). Ook wordt het leven van Christus in hem aldus omschreven: „Al wat ik nu leef als mensch, in dit vleesch leef, dat alles is „Christus, die als zoodanig in mij leeft en met Zijn Geest en „Zijne koninklijke genade in mij heerscht, en Wiens kracht in „mijne zwakheid volbracht wordt, terwijl in degenen, die onder „Wet zijn, slechts de dood leeft en heerscht door het „doe dat" „der Wet", (bl. 28) Voorts wordt in dezelfde preek „het geloof des Zoons Gods" uitdrukkelijk niet alleen opgevat als het geloof, dat Christus Zelf in den Vader gesteld heeft, maar ook, dat de Zoon Gods voor ons verworven heeft, dat wij door den Geest

Sluiten