Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steeds tot alle boosheid geneigd, erkennende gansch melaatsch te zijn, en toch verbrijzeld, verwarmd door Gods eeuwige liefde, en door den Geest geloovende, en gebroken hebbende met de zonde, hebbende een vermaak in Gods Wet. En waar dit geloof is, daar juist kan de oude mensch niet doorzondigen, want hij is geen apart persoon in ons, maar het oude bestaan, waaraan wij gestorven zijn in Christus Jezus.

„Op die wijze", zoo zegt Van Lonkhuijzen verder, „valt feitelijk het geheele werk der genade buiten den mensch" — het tegendeel blijkt uit het bovenstaande — „en wordt de Bruid van Christus „een versierde aap", een „zak met zilver"." Over die beide aanhalingen moeten wij nog iets zeggen. Wel zegt volgens Kohlbrügge de Bruid van Christus, wanneer Hij tot haar komt, in hare verlegenheid vanwege hare zonde, dat zij er in Zijne heerlijkheid niet anders zou uitzien dan als een versierde aap, daarmede als 't ware uitdrukkende: Ach, hoe pas ik bij Uwe heerlijkheid! (Schriftverklaringen 1903, blz. 407—408) —maar dat is heel wat anders, dan de Bruid van Christus „een versierde aap" te noemen. En wat den „zak met zilver" aangaat, dat zou moeten staan in de preek over Genesis 3 (blz. 99), maar die preek heeft niet zooveel bladzijden, en hoewel ik die preek nog eens drie, viermaal doorgelezen heb, vond ik veel goud, maar geen „zak met zilver". Overigens zegt ook de Apostel Paulus: Wij dragen dezen kostelijken schat in aarden vaten.

Nog moet ik Dr. van Lonkhuijzen ten ernstigste vragen, waar hij (bl. 510) de zeer zware beschuldiging op grondt, dat volgens Kohlbrügge de geloovigen alleen in het zichtbare zonde zouden hebben, dat het maar zonde zou schijnen, want dat hun persoon in het element des Geestes is en dus volkomen heilig. Hoe kan men zoodanige meening toeschrijven aan iemand, die juist de ontzettende realiteit der zonde ook in den wedergeborene heeft erkend en geleerd als geen ander?

Neen, wanneer wij Kohlbrügge nemen, zooals hij het wil, en niet enkele uitspraken buiten het verband rukken, dan kan nimmer uit zijne leer het Antinomianisme worden afgeleid, maar het is alles heilige eerbied voor Gods Wet, ook daar waar het misbruik der Wet wordt afgesneden; ook is er geene verachting van het uitwendig gebod, maar bestrijding eener opvatting, die slechts naar het uitwendig gebod oordeelt, zonder den Geest van het gebod te kennen — en die daarom in sommige daden der heiligen slechts ziet op het zondige, en niet op den nood, den strijd der ziel terwille van Gods zaak.

Sluiten