Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET WOORD GODS.

Wanneer in de prediking op de verhouding des menschen lot God groote nadruk gelegd wordt, dan moet de vraag zich aan ons opdringen, hoe dan God met den mensch verkeert. Is die verhouding als van een persoon tot een persoon, en wordt zij bepaald door de verzoening in Jezus, staat het werk der verzoening, door Jezus volbracht, en Gods liefde daarin betoond, in het middelpunt, dan moet het Woord, waarin God ons dat alles, Zijne daden, Zijne eeuwige liefde openbaart, ook van het hoogste belang geacht worden. Vandaar dat in de prediking van Kohlbriigge ook zeer veel gesproken wordt over de heerlijkheid des Woords.

Ook in die leer over Gods Woord kan Dr. van Lonkhuijzen zich niet vinden. Wij troffen boven aan de beschuldiging van subjectivisme, van neiging tot geestdrijverij, van miskenning der Schrift als richtsnoer voor leer en leven (b. v. bl. 382); thans komt eene tegenovergestelde beschuldiging. Aan het Woord der Schrift zou te veel toegeschreven worden, zooals bij de Lutherschen. Hij valt over plaatsen, waar het geschreven Woord zou worden vereenzelvigd met het eeuwige Woord, den Christus (bl. 520). Er zou geleerd worden eene volstrekte tegenstelling lusschen God en mensch, met geen enkelen tusschenschakel dan het Woord (bl. 522). Doordien aan de macht des Woords alles wordt overgelaten, zoowel bij het inwendig werk der heiligmaking als in de actie naar buiten in de Kerk, zou de verantwoordelijkheid des menschen worden weggenomen (bl. 519, 523). De polemiek tegen de „lijdelijkheid", in het Hoofdstuk over de heiligmaking begonnen, wordt hier voortgezet. Ook brengt Van Lonkhuijzen die leer van de macht des Woords in tegenspraak met de Gereformeerde leer, dat het Woord niet werkt zonder de bijzondere werkzaamheid des Geestes, dat het

Sluiten