Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„te niet en tot ijdelheid en logen alles wat tegenstaat, doet „hem, hoe meer in den grond getrapt en ten onder gehouden, „toch opspruiten, groeien, bloeien en wasdom hebben met een „goddelijken wasdom." (Ps. I, bl. 24.)

Hier zien wij dus het Woord als de openbaring der goedertierenheid en barmhartigheid Gods, welke Hij betoond heeft in Christus Jezus, en in het Woord heeft degeloovige Christus zelf.

„Zoude het nu waarlijk waar zijn, dat Hij naar Zijne Godheid, „Majesteit, genade en Geest bij mij is, zoodat ik Hem heb, „den volzaligen God, als mijn Man, mijn Heiland, Goël en „Verlosser? Hoe moet, hoe kan ik mij daarop verlaten bij het „gezicht mijner ellende, bij den angst mijner ziel, bij het gezicht „des doods, en terwijl ik toch een inwendigen afschrik voor „mijne ontbinding en het graf gevoel? Het Woord alleen kan „mij zeker doen zijn. Wanneer de Heere Zijn Woord geeft, „zoo geeft Hij Zichzelf. Gelijk het jawoord de eenige zekerheid „voor den verloofde is, zoo wordt de ziel verzekerd door het „Woord, dat zij den Vader en den Zoon heeft, en gelijk de „verloofde eerst dan zich haren minnaar geeft, wanneer zij het „jawoord schenkt, zoodat de minnaar in het jawoord zijne „beminde verkrijgt, alzoo geeft Zich God, wanneer Hij Zijn „Woord geeft, zoo heeft de ziel Hem in het Woord." (VlIIe Twaalftal, 2 Joh.: 9b bl. 12.)

En zóó komen wij tot die gelijkstelling van het geschreven Woord met het Eeuwige Woord in de preek over Ev. Joh. 1: 1 (Ie Twaalftal, 2e dr. bl. 78 vv.), waar Dr. van Lonkhuijzenzulken aanstoot aan neemt. De inhoud dier preek is deze : Men beginne tot recht verstand van den tekst met Gods heilige Wet, welke ons onze schrikkelijke ellende openbaart, dat wij niet blijven in hetgeen God gezegd heeft, in Zijn Woord. En dat Woord is toch eeuwig, dat Woord was God, en door Hetzelve zijn alle dingen gemaakt. Het is geen tooverwoord. Het is een Woord, dat, nadat het in den beginne hemel en aarde geschapen heeft, Zich sedert in vleesch en bloed heeft gekleed. Zoo was het in Zijne profeten, zoo is het nog in Zijne heiligen en uitverkorenen, daartoovert het echter iemand niet iets voor, het begeeft Zich met den ellendige in zijn ellendigen toestand in, en zegt door eenen, die zelf ellende kent en gekend heeft, tot den ellendige: „doe dat".

(bl. 94) „Maar hoe was het Woord God, en hoe is het nog

„God? Welk eene vraag! Toen God voor 5865 jaren sprak:

Sluiten