Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Daar zij licht", was dat niet een woord, dat Hij sprak, een „woord waarin dit licht was, en dit Woord, was het niet Ood ? „Wanneer iemand sprakeloos voor een koning nederligt, daar „hij eene misdaad begaan heeft, en de koning tot hem zegt: Ik „geef u pardon, is dit woord niet van den koning uitgegaan, „zijn het niet zijne ingewanden over eenen ongelukkige, breidt hij „zichzelven niet in zijne goedheid over den ongelukkige uit ? Is „dan het woord, dat hij spreekt, iets anders dan zijn eigen Ik, „iets anders dan de koning? Niemand onzer is in staat omzijn „woord tot een levendig lichaam te forineeren, zooals wij dit „hebben, om het mensch te doen worden, wel tot een levenloos „lichaam; b.v. men kan tot een bouwmeester gaan, en het woord „spreken: Een huis gebouwd! en terstond formeert zich het „woord tot een huis. Maar God vermag alle dingen, en zoo „kon Hij ook Zijn Woord vleesch doen worden, de gestalte „van een menschenkind doen aannemen, zoo dat het bevonden „werd als een mensch. Zoo kwam het Woord reeds vroeger „als een mensch tot Abraham aan het eikenbosch van Mamre „en wederom, dit Woord was Jehovah. (bl. 97—98) Vraagt men „nu of ik ook van dat Woord spreek, dat wij Bijbel heeten, zoo „antwoord ik: Wanneer ik iets van mijnen Koning geschreven of „gedrukt lees, of in Zijnen Naam rechtstreeks uit zijn harte hoor „of verneem, dan zeg ik: daar hebben wij onzen Koning, daar, „daar, en daarbij zullen wij het laten berusten, en zoo moeten „alle duivelen voor eenen Christen uit den weg. Amen!" (bl. 97-99.)

Dit laatste vooral moest duidelijk zijn. Als ik de dichtwerken van Bilderdijk lees, dan spreekt hij daarin tot mij, dan heb ik daarin zijne persoonlijkheid, maar als ik dan zeg: „Dat is nu Bilderdijk" wie zal dan beweren, dat ik daarmede dien reeks van dichtbundels met den persoon van Bilderdijk vereenzelvig? — en toch beschuldigt Dr. van Lonkhuijzen Kohlbrügge, dat hij het geschreven Woord met het Eeuwige Woord zou vereenzelvigd hebben! Terwijl hij toch zelf erkent, dat Kohlbrügge op verschillende plaatsen uitdrukkelijk zegt: Het Eeuwige Woord hield z.ich aan het geschreven Woord, waarmede dus beide begrippen duidelijk onderscheiden worden. (Jona S. 94. Im Anfang war das Wort, S. 76.)

Opdat alle ongerijmde gevolgtrekkingen uitgesloten zouden zijn, wordt er uitdrukkelijk gevraagd: „Bevinden zich dan de Vader en de Zoon in het Woord? Neen, Zij bevinden zich „niet in het Woord, maar Zij zijn op geene andere wijze voor „ons verkrijgbaar: op geene andere wijze zijn Zij aan te grijpen,

Sluiten