Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ook ken ik het onbedriegelijke der ondervinding, dat, wanneer „men, hoe ook de gansche hel brult, dat men het niet doen zal, „en hart en handen beven uit vrees van bedrogen uit te komen, „hoe men ook een peilloozen afgrond onder zich en alleen toorn „en grimmigheid boven zich ziet, hoe men ook den dood om „zich heen en op de lippen heeft, en uit angst en nood der ziel „niet meer hooren of zien kan, alsdan het Woord aangrijpt, „men juist dan den Heere bij den zoom Zijns kleeds aangegrepen „heeft — en opeens is de doodende vloed des bloeds gestelpt." (VlIIe Twaalftal 2 Joh.: 9b, bl. 9—10.) Hier is dus, juist bij de erkentenis van de noodzakelijkheid, dat het hart door Qodvoor het Woord wordt geopend, wederom de volle nadruk daarop gelegd, dat het Woord niet dood is maar levend, en dat het, waar het in den nood wordt aangegrepen, zijne werking doet.

Hoe verstaan wij dan die kracht, die heerlijkheid, die werking des Woords? Hoe verstond het de Apostel Paulus? „Want ik „schaam mij het Evangelie van Christus niet: want het is eene „kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst den „Jood, en ook den Griek. Want de rechtvaardigheid Gods „wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof". (Rom. 1: 16, 17.) Dat is het juist. Niet vanwege magische krachten, maar omdat ons daarin geopenbaard wordt die gerechtigheid, waarop wij komen te rusten met ons geloof, als ons alles ontvalt. En wie daarop als verloren zondaar komt te rusten, wie het Woord heeft leeren verstaan naar het genadeverbond, die ondervindt de heerlijkheid en macht van dat Woord der genade, waarin hij God Zelf, waarin hij Christus weder ontvangt; vooral in tegenstelling met alle werkverbond en wettisch Evangelie. Daarop wezen wij reeds hierboven. Van uit de rechtvaardiging door het geloof wordt ook de leer van het Woord verstaan, anders nooit. Wanneer men maar in het oog houdt, dat het Woord een Woord Gods is, een Woord, dat onze geheele verdorvenheid blootlegt, ons ontdekt tot in het binnenste, en toch een Woord der genade, een Woord uit Gods hart, een grond voor het geloof (zie de preek over Hebr. 4: 12, Amsterdamsch Zondagsblad XI bl. 129 v.v.), dan kunnen wij de macht en heerlijkheid van dat Woord niet genoeg roemen; maar juist tegenover die macht en heerlijkheid moeten wij onze volslagen onvatbaarheid voor dat Woord erkennen en de noodzakelijkheid der werking des Geestes, opdat het hart telkens weder voor het Woord geopend worde.

Zoo staan beide dingen naast elkander in de „Lehre des

Sluiten