Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Veel is men gevallen over de scherpte der uitdrukkingen, vooral in de brieven aan W. de Clercq. Zeker, zoo leert men de zielen allicht niet behandelen op de colleges over pastoraaltheologie; dat moet alles veel zachter gaan. Intusschen, moge het al niet naar de „school" zijn, ik wil daaraan herinneren, hoe ontzaglijk scherp ook de Heere Jezus met Zijne discipelen geweest is. Als Petrus in liefde tot Hem komt, om Hem voor het lijden te bewaren, krijgt hij een „ga weg, Satanas!" Als de discipelen met de voor het oog zoo onschuldige vraag komen, wie de meeste is in het Koninkrijk der hemelen, wordt ook hun „heilsstaat" betwijfeld : „Zoo gij niet omkeert en wordt als dit kindeke, zult gij geenszins in het Koninkrijk der hemelen ingaan!" Zie voorts Luc. 17:6. Zouden wij ook soms te zoetsappig zijn? Bekend is het spreekwoord van zachte heelmeesters.

Het was er om te doen, W. de Clercq te rukken uit den wandel onder de Wet, onder den geest der dienstbaarheid. Wellicht heeft hij ook Kohlbrügge's woorden menigmaal aangenomen als eene wet tegen diens bedoeling; Da Costa had dien indruk, en meende dat de schuld aan Kohlbrügge lag. (Zie het boven aangehaald Gidsartikel.) Zou die ook bij De Clercq gelegen hebben? (Zie Aanteekening 16 over de Inenting).

Of voelen wij niet brandende liefde in hetgeen ook Van Lonkhuijzen (bl. 235) aanhaalt uit een brief van 18 Nov. 1840: „Doch ik schijn reeds weder te ver te gaan, en toch, zoolang „als gij mij schrijft, zoolang gij leeft, of ik in dezen tabernakel „ben, zal ik niet ophouden, u getrouw te zeggen: dat is de weg! „wandelt in denzelven ! Hoe zou ik u de laatste maal, dat ik u „sprak, met vijandschap vaarwel gezegd hebben? Ik ben stout „geweest, ik heb u harde dingen gezegd, — en o, dat gij in „mijn hart gezien hadt, gij zaagt het brandende eener heilige „vlam der reinheid en kuischheid der Waarheid, waarin ik u „gered zien wilde en nog wil. Is het dan, omdat ik u niet lief„heb? God is mijn getuige in een Heiligen Geest, dat ik voor „u zelf in den uitersten dood en verlating Gods zou kunnen „ingaan, zoo ik u maar behouden zie uit den dienst der verderving, waaronder gij menigwerf zucht en zijt als in barensnood „en voelt u toch omstrikt in en omknoopt van banden, waaruit „gij u bij alle smartgevoel zoo weinig kunt loswringen, als een „Laokoön uit de vreeselijke kronkels en kringen der slang. „Verdenk mij zooveel als gij wilt, en ik zal het u niet zevenmaal „vergeven, maar zeventigmaal zevenmaal; alleenlijk omdat ik u „liefheb, bid ik u, laat God het niet hooren wat gij denkt.

Sluiten