Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er sprach: „In Unserem Bild, und nach Unserer Gleichheit". Und da ist es weiter wohl zu bemerken, dass Moses nun nicht

schreibt: „Und es ward also", sondern ,Und God schuf

den Menschen in Seinem Bilde, .... im Bilde Gottes schuf Er ihn" aufdass wir diese Vaterliche Güte in der Glückseligkeit Gottes, welche Er hatte in Seinem Sohn, und welche Er in dem Menschen abpragte, wohl zu Herzen nehtnen; denn so halt uns Moses im Heiligen Geist das Liebesband von Augen, welches urn der ewigen Weisheit, das ist urn Christi willen, Gott und Menschen umschlungen halt".

Hieruit blijkt dus juist, dat Dr. Kohlbrügge de geheele Drieëenheid hier voor zich ziet. Ook staat er, dat God „het beeld van Zijn Schootkind en Zijne Vaderlijke gevoelens heeft willen uitdrukken". Eindelijk Iaat Kohlbrügge nog volgen, hetgeen ook niet meer aangehaald is: „opdat wij deze Vaderlijke goedheid Gods, die Hij had in Zijnen Zoon, en die Hij in den mensch afbeeldde, wel zouden ter harte nemen".

Mij dunkt, dat hier God de Vader toch niet geheel is buitengesloten.

Maar gesteld dan: Van Lonkhuijzen had bij zijne opvatting dezer plaats gelijk. Is het dogmen-historisch juist, die afwijking als de moeder van zoovele ketterijen voor te stellen ? Neen; maar doordien bij Origenes en anderen de rechtvaardiging des zondaars door Christus' bloed op den achtergrond stond, werd de beteekenis van den Christus elders gezocht, — en het gevolg daarvan waren leeringen, dat Adam naar het beeld van Christus was geschapen. Zoo stond dat gevoelen ook bij Osiander in verband met eene verkeerde opvatting der rechtvaardigmaking, als zou die daardoor komen, dat de tweede Persoon der Drieeenheid wezenlijk in ons inwoont; alzoo zou Hij ook reeds vóór den val in den mensch gewoond hebben.

Merkwaardig zijn nu de volgende woorden, die Calvijn in zijne bestrijding van Osiander bezigt (Institutio II, 12, 6): „Dat „nu Christus reeds toenmaals (bij de schepping) het beeld Gods „geweest is, daarin stemmen allen met elkander overeen; en dat „daarom alles wat aan heerlijkheid Adain was ingegraveerd, daaruit „voortvloeide, dat hij door den Eeniggeboren Zoon tot „de heerlijkheid Gods naderde". Dus ook Calvijn erkende bij de schepping des menschen naar Gods beeld eene bijzondere positie van den Christus. Het komt bij zulke dingen ten zeerste op het verband aan. Enkele woorden uit het verband te scheuren en omdat zij uitwendig eenige overeenkomst vertoonen met

Sluiten