Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeten staan : gelijk zij allen in Adam gestorven z ij n. Voorts zouden wij dan ook persoonlijk in Christus moeten hebben bestaan — hetgeen niemand zal aannemen. Zelfs indien men dus dat „in" op Adam zou willen laten slaan, dan kan men het niet letterlijk opvatten, maar zóó, dat wij in Adam als onzen stamvader en ons verbondshoofd vertegenwoordigd waren, en dat zóó zijne daad ons toegerekend wordt. Zoo vatte bv. Brakel het op. (Redelijke Godsdienst, I Cap. XIV, 17e druk. bl. 314.)

Maar taalkundig gerechtvaardigd zijn slechts twee vertalingen : ééne zeer algemeen, ook door Luther en Calvijn gevolgd: „naardien zij allen gezondigd hebben"; dan zegt echter deze tekst voor de erfzonde nagenoeg niets; de andere is de door Kohlbrügge gevolgde, eigenlijk het meest voor de hand liggende: „op welken grond", of „op grond waarvan" zij allen gezondigd hebben, — hierdoor wordt de erfzonde volkomen gehandhaafd. Men bewijze eerst, waarom deze het meest voor de hand liggende uitlegging niet kan, voordat men zich zoekt te helpen met andere uitleggingen.

Opnieuw is deze zaak aan de orde gesteld door Dr. S. Greidanus: Toerekeningsgrond van het Peccatum Originans! (Amsterdam 1906.) Deze zoekt nader aan te toonen, dat wij in Adam in zekeren zin persoonlijk aanwezig moeten geweest zijn en alzoo aan zijne zonde deelgenomen hebben. Hij beroept zich echter niet op Rom. 5:12, alwaar hij „in welken" niet op Adam laat slaan, maar vertaalt met „omdat" (bl. 41). Zoodoende blijft er van een direct schriftuurlijk bewijs voor die opvatting al heel weinig over, slechts de analogie met Levi, die gerekend wordt aan Melchizedek de tienden te hebben gegeven, omdat hij toen „in Abrahams lendenen" was (Hebr. 7:9 en 10). Maar daaruit volgt geenszins een persoonlijk aanwezig zijn van Levi in Abraham, en buitendien waarschuwt ons de uitdrukking „om zoo te zeggen" in Vers 9 voor het maken van gevolgtrekkingen. Slechts terloops wordt dan ook door Dr. Greidanus Hebr. 7: 9 en 10 aangehaald (bl. 50) en volstrekt niet als uitgangspunt voor zijn betoog gebruikt. Zijne kracht zoekt hij meer daarin, te bewijzen, dat in Rom. 5:12 vv. niet de toerekening van Adams zonde en de toerekening van Christus' gehoorzaamheid aan ons volkomen gelijk gesteld worden (bl. 38 vv.). Doch gesteld, hij ware in die bewijsvoering volkomen geslaagd, wat wij hier met in den breede kunnen onderzoeken, dan heeft hij daarmede nog lang geen bewijs voor zijne stelling. Wij blijven bij het „non liquet". De grond, waarom de eeuwige Rechter het mensch-

Sluiten