Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„die naar God toe en tegen God zich kan richten, weshalve „ook de zonde niet een apart iets in de natuur is, maar alleen „een ommekeer in de richting, waarin de krachten des menschen „werken. Ze werken öf naar boven, en dan zijn ze goed, of „naar beneden, en dan zijn ze kwaad. In wezen blijft de tong „één, of ze God vloekt of God looft, maar bij den ééne zal ze „tot een prijzen des Heeren geneigd zijn, bij den ander zelfs „onnadenkend en onopzettelijk in een vloek uitgaan. Er werkt "in de zonde geen enkele kracht, die niet tot het wezen van „den mensch behoort, en ook in de eeuwige heerlijkheid zal geen „enkele kracht uitkomen, die niet in het wezen van den mensch „gefundeerd ligt; maar de richting waarin die krachten werken „kan tegenovergesteld zijn; en juist in de richting van die „krachten spreekt niet ons wezen maar onze natuur."

Welnu, zoo komen we nader bij elkaar. Dan wordt wederzijds toegestemd, dat het wezen des menschen door den val niet veranderd is, maar zijne natuur; ook, dat bet zondige niet zit in de stof, niet iets wezenlijks is, eene soort van gif, maar dat het ligt in de verkeerde richting van God af, tegen Zijne Wet in. Men vergelijke nu de aanhaling uit Dr. Böhl Aanteekening 6.

AANTEEKENING XI.

bl. 38.

De vleeschwordino des Woords.

(Aanhalingen van Dr. van Lonkhuijzen.)

Op bl. 413 wordt aangehaald uit Vlle Twaalftal, Gen. 3: 15 (bl. 5): „dat Christus den beet der slang evenals wij heeft ondervonden". Deze woorden staan echter in een verband, waar in aansluiting aan Zondag 5 en 6 van den Catechismus duidelijk de zondeloosheid van Christus geleerd wordt. „Wij zien te „gelijkertijd, dat Hij een rechtvaardig mensch zoude zijn, want, „moest Hij den duivel den kop vermorzelen, nadat deze Hem „in de verzenen had gestoken, zoo kon een zoodanige geen „zondaar zijn. Intusschen zien wij uit hetzelfde Evangelie, „dat Hij den broederen in alles gelijk zoude zijn, en zou verzocht „worden gelijk wij, want de duivel zoude Hem de verzenen „vermorzelen, zoo zou Hij dan den beet der slang, evenals wij „ondervinden."

Schriftverklaringen, 1890, bl. 28 geeft Van Lonkhuijzen aldus

Sluiten