Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezegd, en ten tweede, wat hij daarmede bedoelde. Zeker dit niet, dat Christus ook maar kon zondigen of vallen. „Christus „kon geen zondaar worden, kon niet vallen en niet zondigen, „omdat Hij Zich vrijwillig en onschuldig in ons zondevleesch „inbegeven heeft", — zoo staat hier. En wanneer hier de Christus vergeleken wordt bij iemand, die een ander uit médelijden de inkt van den bemorsten vinger strijkt, en daardoor zelf wordt bevlekt, zoo behoeft onder die bevlekking bij den Christus niet gedacht te worden aan eenige zondige neiging, die op Hem zou zijn over gegaan. Uitdrukkelijk wordt van Hem gezegd: Omdat Maria geloofd heeft, was de vrucht rein en heilig. Het laatste beeld, waarop wij nog terugkomen, doet denken aan erfschuld, niet aan erfzonde.

Op ééne plaats spreekt Kohlbrügge van ons „bedorven, stinkend, schandelijk vleesch", dat de Heere aangenomen heeft. Hij ziet daarbij echter op Zijne afstamming van vrouwen, als Thamar, Rachab, Ruth en Bathseba, en voegt er uitdrukkelijk aan toe „ofschoon op zichzelven zonder zonde". (Schriftverklaringen, 1902, bl. 63.)

AANTEEKENING XII.

bl. 42.

Ons in Zich opnemen.

Dat dit als plaatsvervanging te verstaan is, komt ook uit in de preek over Gal. 4 vs. 21—5: 1 (bl. 16, Ve Twaalftal): „Wie zal, terwijl bij ons slechts zonde is, de Wet weder voor „ons herstellen, zoodat hare uitspraken vervuld worden? Wij? „wij zijn immers overtreders. Hier moeten wij bekennen de liefde „Christi tot ons, dat Hij voor ons de Wet weder overeind gezet „en ons zoo in Zich daargesteld heeft, dat geene Wet tegen ons is. „Hij heeft ons verlost van het „moeten", — („gij moet dit, gij „moet dat") — hetwelk wij, in onze verkeerde opvatting der Wet, „onszelven op de schouders laden. Hij is dienstknecht der Wet „geworden in onze plaats, en heeft ons vrijgemaakt. Hij heeft „ons in Zich opgenomen; derhalve hebben wij daarbij te volharden „en ons in waarachtig geloof aan Hem te houden."

Zóó verstaan wij ook hetgeen door Van Lonkhuijzen aangehaald wordt uit de preek over 2 Sam. 7: 13 (bl. 6, Vlle Twaalftal): „Wie echter de woorden van Christus in den „41sten Psalm „Ik heb tegen U gezondigd"... van die misdaad

Sluiten