Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„en van die schuld heeft leeren verstaan, welke Hij, Die zelf „schuldeloos en vlekkeloos was, om onzentwil, dus als vreemde „schuld dus als borg op zich zelf heeft geladen, terwijl Hij in „Zijn vleesch ons in Zich opnam, zoodat wij het waren en „onze misdaad,— die vindt in deze belofte voor zijne ziel eenen „op Gods Raad en op de liefde van Christus berustenden troost". Ook hier drukt dus dat „in Zich opnemen" niets anders uit dan: „als borg dragen, zich er mede vereenzelvigen".

AANTEEKENING XIII.

bl. 43.

De persoon des Zondaars.

Zie vooreerst de „Erlauternde Fragen und Antworten" bij Fr. 12. Vooraf gaat dat onze Heere volgensjez. 53:4-6 onze zonde, schuld en straf weggenomen, verzoend, uitgedelgd, gedragen heeft. Daar wordt nu vervolgd: „In welcher Person ging also „unser Herr einher in den Tagen seines Fleisches? In unserer „Person, in der Person des Sünders". De Hollandsche vertaling, die onder Kohlbrügge's toezicht is gemaakt, heeft: „Welken „persoon droeg derhalve de Heere in Zich in de dagen Zijns „vleesches? Onzen persoon, den persoon des zondaars". Een bewijs dus, dat voor Kohlbrügge het „wandelen in den persoon" en het „de persoon in zich dragen" hetzelfde beteekenen. — IVe Twaalftal 1 Joh. 2:6 bl. 14. „Hij wandelde om onzentwille „in den persoon des zondaars, zonde gemaakt en vloek „geworden voor ons". — Ve Twaalftal. Col. 2 : 10—12. bl. 8. „Het lichaam der zonden des vleesches heeft Hij in „Zich aan het kruis gebracht, toen Hij voor ons in den persoon „des zondaars aan het kruis leed". N.B. In de preek over Hebr. 5:8 en 9 in dit Twaalftal vond ik niets over den „persoon des zondaars". — VlIIe Twaalftal: „Zittende ter Rechterhand Gods", bl. 11. „Wie heeft nog macht en bevoegdheid „om aan te klagen en te verdoemen, nu wij een Pleitbezorger „hebben, die bewijst, dat Hij in den persoon des zondaars aan „de Wet voldaan heeft?"

Hebr. 1 S. 29 (32) „Er trug die Person des Sünders, und „wurde als solche vor dem weltlichen und geistlichen Richter„stuhl behandelt". — S. 32 (34) „Da hatte Christus die Freude, dass Er der Sohn war, abgelegt. Er ging einher in der Person des Sünders."

Sluiten