Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons ten gevolge moet hebben, maar hoe zij evenwel bij den Christus die uitwerking niet kon hebben, omdat Hij, de Heilige Gods, niet zondigen kon (bl. 53 vv.). Het verband tusschen twee dingen als oorzaak en gevolg wordt toch niet weggecijferd, wanneer men aanneemt, dat éénmaal de werking der oorzaak op eene sterkere macht is afgestuit, zoodat het niet tot het gevolg kon komen. Buitendien, wat punt 11 betreft, „onbekwaam zijn van de geboorte af tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad", „in wil en genegenheden tegen God overstaan", is toch geen erfschuld, maar erfzonde.

4. Bijaldien aan den Christus, evenals aan ons, de schuld van Adam is toegerekend, dan van tweeën een, dan heeft of Hij evenals wij in Adam overtreden en is in Adam evenals wij van God afgevallen; of wel, ook wij hebben met Adams zonde niets uitstaande, door ons is in hem niet overtreden, we zijn in hem niet van God afgevallen, en de toerekening van de schuld van Adam aan ons is eene toerekening aan onschu'tdigen van een hun vreemde schuld; en alzoo hadden we geen Verlosser meer noodig, overmits een onschuldige zelf in staat is een hem vreemde schuld te verzoenen. Neemt ge het eerste, dan is de Christus ten volle zondaar als wij. Stelt ge het laatste, dan vernietigt ge de zonde in ons.

Deze redeneering steunt op de hoogst twijfelachtige hypothese van onze persoonlijke praeëxistentie in Adam, en nog meer, zij maakt daarvan geheel de erfzonde en erfschuld afhankelijk, en zou ons bij het vervallen derzelve juist brengen op het gebied van Pelagius. Het diepst „waarom" van de toerekening van Adam's schuld zal ons in dit leven wel verborgen blijven. De Schrift leert alleen, zooals boven aangetoond is, hoe God het menschelijk geslacht als eene eenheid, als solidair vóór Zich ziet, hoe Adam als onze vertegenwoordiger beschouwd wordt. Er is een derde tusschen het „persoonlijk in Adam gezondigd te hebben" en het „met diens schuld niets uitstaande hebben". En nog is er binnen die grenzen een onderscheid tusschen hem, die de erfenis heeft van nature, en hem, die zich uit vrijwillige liefde zóó plaatst, dat hij aan die erfenis deel moet krijgen. Ook gaat de redeneering volstrekt niet op, dat wij die schuld van Adam zouden kunnen verzoenen, als het ons eene volkomen vreemde schuld ware. Hier komt Dr. Kuyper

Sluiten