Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANTEEKENINO XV.

bij bi. 83.

Aoristus.

Men heeft het afgekeurd, dat Kohlbrügge zoo menigmaal spreekt van: dat wij zouden gewandeld hebben, zoo ook hier: opdat het lichaam der zonde teniet gedaan ware. In alle bescheidenheid, die een met-vakman in de philologie voegt, zij daartegen opgemerkt, dat men toch wel toe moet zien, of niet de modi van den Aoristus, wanneer men nauwkeurig alle schakeeringen der Oneksche taal wil weergeven, eene soortgelijke verklaring e.schen, of niet bij die modi de handeling als 't ware wordt samengedrongen in één punt des tijds, zoodat men er klaar mede moet zijn, zooals wij in den bevelenden vorm ook zeggen : de deur opengedaan! De modi van het praesensdrukken daarentegen iets uit, dat doorgaat. Is het toevallig, dat Ef. 4-

tj4 ee,rSf staa| van den ouden mensch: „dat gij afgelegd hebt , dan: „dat gij vernieuwd word t", en wederom : „dat gij den nieuwen mensch aangedaan hebt"? In Col. 3:9 10 is het nauwkeurig vertaald: dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mensch.

Dr. van Lonkhuijzen, die zelf erkent, dat Kohlbügge een uitnemend kenner der talen was, had wel met nadere bewijzen mogen aankomen, alvorens zoo iets maar eenvoudig te beschouwen

ïtelseMbl. 34g2e"aardigheid' ^menhangende met Kohlbrügge's

AANTEEKEN1NQ XV!

bij bl. 91.

Over het inenten.

Ik bezit eene copie van een brief van Kohlbrügge uit het jaar 1845 aan iemand, die hem over het inenten had ^evraagd en waarin duidelijk uitkomt, waar Kohlbrügge bij soortgelijke vragen vooral op doelde.

„Geliefde Broeder in den Heere onzen Heiland. Op uwe vraag omtrent het inenten, deel ik u gaarne mijn gevoelen mede. Er komen in dit leven eene menigte van dingen voor, waaromtrent wi, niets vinden in de Schrift, dat voor of tegen is; op dergelijke dingen te antwoorden is hoogst critiek, omdat het dingen zijn, waarvan het doen en laten geheel afhangt van den

Sluiten