Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Meldden de oude oorkonden (1) het niet, dan zouden wij alleen reeds uit zijn vlijt en aanleg tot de groote vorderingen van den H. Thomas mogen besluiten; wiens schranderheid daarenboven door geen enkelen kloosterling van Monte Cassino geëvenaard werd. Of deze in de abdij naast het latijn ook grieksch heeft aangeleerd, schijnt niet te beslissen. Het feit, dat de grieksche taal in de XlIIde eeuw op enkele plaatsen van Beneden-Italië bijna uitsluitend de spreektaal was (2) en duidelijke sporen van grieksche spraakkennis in Thomas' geschriften wettigen min of meer het vermoeden, dat deze reeds hier — of wellicht aan de napolitaansche universiteit onder Petrus Martinus — zich met de grondbeginselen der grieksche taal heeft vertrouwd gemaakt. Doch dit ter zijde latende, herdenken wij dankbaar het klooster, waar bekwame leermeesters en kostbare handschriften den grondslag legden voor het thomistisch latijn, dat op geen ciceroniaansche sierlijkheid boogt, maar door de korte, klare zinrijkheid zijner woorden en wendingen eene nieuwe openbaring is der geheimzinnige, verheven macht, die wij taal noemen.

In de meeste opzichten was de methode der middeleeuwsche Benedictijnen zeer verstandig. Allerlei geleerdheid binnen de kleinst mogelijke tijdruimte in de hoofden te persen scheen hun de beste leerwijze niet. Hun onderricht had een geregelden, vasten, kalmen gang; geleidelijkheid scheen hun een wet der natuur; het goede denken en de levendigheid eener naar de rede luisterende verbeelding brachten zij nimmer aan de overlading van het geheugen ten offer. Monniken van veel open zin voor de vreedzame majesteit der schoone natuur — getuige de ligging en de naam hunner meeste abdijen; — kloek van verstand in het opvoeden der volkeren; even warm in hunne vriendschap als in hunne waardeering der kunst, streefden zij, bijwijlen onbewust misschien, maar krachtdadig, naar eene harmonische ontwikkeling aller vermogens en krachten van den mensch. En bovenaan stond de dienst van God. Deze opleiding droeg voor duizende kloosterlingen, die later in kerk

is bekend. Vgl. voor de oude studieplannen J. E. Sandys, A history of classical scholarship (1903) en Meyer, Die 7 freien Künste.

(1) Ptol. Luc., H. E. XXII, 20; De Tocco, I, 6.

(2) V. Raumer, Hohenst. III. 442; VI, 353; Vgl. ook Hefele, Beitrage zur Kirchengeschichte, Archaologie und Liturgik, B. I, 289—298.

Sluiten