Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loochenden zij als oprechte leerlingen van Christus zich zeiven, namen dagelijks hun kruis op en volgden hunnen goddelijken Meester na. Moesten ook zij vaak zaaien in tranen, zij getroostten zich het aardsche lot en hoopten in vreugde te maaien.

Dit was de levensstaat, waartoe Thomas van Aquino zich getrokken gevoelde.

Bij zijne komst te Napels vond hij er de Dominikanen sedert 1231 gevestigd. Hun klooster was een vroom toonbeeld van oorspronkelijken ijver in den dienst Gods door gebed enapostolischen arbeid. Het is zeer waarschijnlijk, dat hun sedert 1234 het theologisch onderwijs was toevertrouwd. Doch na 1239, toen Frederik 11 de kloosterorden begon te verdrijven uit zijn gebied, werd de leerstoel der godgeleerdheid den geleerden Benedictijn Erasmus van Monte Cassino aangeboden (1). Intusschen rijpte in Thomas' hart het plan in de orde van den H. Dominicus te treden. Lang droeg hij dit verlangen in zijn ziel; zijn geweten zeide hem, dat hij de door God geschonken talenten niet begraven mocht (2).

Van hunnen kant schijnen de kloosterlingen, door zulke veelbelovende gaven getroffen, Thomas met vurige gebeden van God voor hunne orde te hebben algemeekt; althans verhaalt De Tocco, dat een hunner in een droomgezicht tot driemaal toe den heiligen jongeling aanschouwde als een stralende zon, die wijd en zijd haar glansen schoot (3).

Wij hebben boven het karakter van Keizer Frederik II geschetst. Straks zullen wij verhalen, dat de verhoudingen, waarin de vorst eenerzijds tot het huis van Aquino en andererzijds tot de Dominikanen stond, Thomas den weg naar het kloosterleven niet vergemakkelijkten. Maar hij volgde wat hij als een hemelsche roepstem beschouwde, en vond daarbij steun in Johannes de S.Juliano,

(1) Quétif et Echard, Script. Ord. Praed., t. I, p. 358; Denifle, Die Universitaten, I, 455—458. Daar bleven bij de verdrijving maar twee Dominikanen te Napels.

(2) Malvenda, ad ann. 1237. — Cogitans praedictus juvenis quod

poterat sibi esse damnabile, si commissum ei talentum naturalis ingenii, dono gratiae spiritus augmentatum, sub terra velut sudario neglectioris vitae absconderet, quod poterat per transitum ad aliquem ordinem augmentare; ductus est ad Fratrum Praedicatorum Ordinem, diu cordis desiderio affectatum. De Tocco, I, 7.

(3) De Tocco, I, 6.

Sluiten