Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te spreken. Dat deze uitmuntende man, zoo terecht Magnus, de Groote, genoemd, zijn leermeester werd, was voor den Aquiner een troost en zegen.

In Mei 1245 (1) bereikten de pelgrims het doel hunner reis.

Niet verre van den keulschen dom, waar het nieuwe postkantoor Albertus' beeld, aan de zijde der Stolkgasse, in den gevel toont, stond weleer het dominikaner klooster van het H. Kruis, en daarnaast eene gothieke kerk van edele schoonheid. Het klooster was ten jare 1221 zeer klein begonnen met het hospitaal en de Maria-Magdalenakapel, weleer door kanunnik Petrus van de nabijliggende Sint Andreaskerk gesticht. Maar reeds het volgende jaar kon de eerbiedwaarde Henricus, de eerste prior een ruimer aangelegd klooster bouwen, dat naar den eisch van een talrijke gemeenschap en een hooger studiehuis omtrent 1250 nog werd uitgebreid. Eene kleine protestbeweging tegen de nieuwe arbeiders voor het zielenheil verliep spoedig door de rustige onverzettelijkheid van aartsbisschop Engelbert, die tot de ontevredenen zeide: „Laat hen ongedeerd, zoolang wij niets van hen dan goed zien." Een poging bij den pauselijken legaat Koenraad van Zahringen om de openbare werkzaamheid der kloosterlingen te belemmeren vond ternauwernood gehoor. Het klooster was er en bleel' er tot het jaar 1802, toen de omwenteling de paters verjoeg. In 1806 werd de kerk tot den grond geslecht;'t klooster, dat na den brand van 1659, waarbij ook de cellen van Thomas en Albertus door de vlammen vernield werden, opnieuw was opgebouwd, diende als artillerie-kazerne, tot alles werd afgebroken om plaats te ma ken voor het tegenwoordige „Postambt".

In de XlIIde eeuw rustte 's Hemels bijzondere zegen op het klooster van het H. Kruis. Heilige zeden en ijverig apostolaat, een diepe geest van onthechting aan het aardsche en een onverdroten toewijding aan de geestelijke belangen des tijds waren het hoogste sieraad van dit aan God gewijde huis.

Meer en meer werd het eene verzamelplaats van edele mannen en een brandpunt voor de christelijke beschaving in het Rijn-

(1) De Tocco III, 13; Ptol. Luc., H. E. XX, 21; Thom. Cantimpr., De apibus I, c. 20 § 10; S. Anton., tit. XXIII, c. VII, § 5. Het generaal kapittel der Dominikanen te Keulen werd geopend 5 Juni, 1245.

(2) Zie Cesarius van Heisterbach, Dial. IX, 56; Malvenda, Annal. ad annum 1222; Analecta Fratrum Praedic. t. I, 448 et seqq.

Sluiten