Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kloosterlingen gedurende hun stillen tocht, zoodat zij, door kalm en gestadig nadenken met nieuwe wijsheid toegerust, de fransche academiestad bereikten, waar zij door de kloosterlingen van het ons reeds bekende Saint-Jacques met evangelische liefde werden ontvangen.

Saint-Jacques was een zeer bloeiend studiehuis. Den 12 September 1217 was de gelukzalige Mannes, S. Dominicus' eigen broeder, met twee gezellen te Parijs aangekomen, om er een klooster te stichten. Na eenige maanden van groote ontberingen en inmiddels in tal gegroeid door eenige nieuwaangekomen ordebroeders vonden zij een onverwachten steun in Jan van Barastre, deken van Saint-Quentin en bekend universiteitsleeraar der hoofdstad, die hun het op den Sint-Genovevaberg gelegen Sint-Jacobspelgrimshuis met bijbehoorende kapel en een stuk gronds ten geschenke gaf. Willem van Auxerre, de vermaarde parijsche kerkvorst, de koningin-moeder Blanca, de regeerende koningin zelve Margaretha van Provence vereerden het klooster met hun machtige bescherming. Koning Lodewijk IX, wiens rechtschapen gemoed geen plaats schonk aan den kloosterhaat van Frederik II, deelde met zijne vorstelijke gade en zijne edele moeder deze grootmoedige gezindheid. Joinville, Jordanus van Saksen en Geoffroy van Beaulieu melden ons deze treffelijke gunst, die aan de dominicaner studiën niet weinig ten goede kwam (1). Saint-Jacques geraakte in het bezit van een uitgestrekt klooster, een waardig kerkgebouw, ruime leszalen, eene schoone gaarde; belangrijke hulpmiddelen voor sterkbevolkte stichtingen. Niettemin bleven de zorgen groot genoeg en men leefde waarlijk in armoede. Wanneer iemand de eetzaal van Saint-Jacques binnentrad, bewonderde hij dit smaakvol bouwwerk, een geschenk van den H. Lodewijk. Tien kolommen verdeelden de tachtig meter lange zaal in twee schepen; er was plaats voor driehonderd kloosterlingen en de bouw — wat betaamt — met behoud der armoede in goeden stijl. De toevloed naar Parijs was, wegens de uitmuntende studiegelegenheid, buitengewoon. Volgens de bepalingen der Predikheerenorde mocht iedere provincie niet meer dan drie studenten zenden; doch in de praktijk hield men begaafde jongelieden niet licht terug van de beste bronnen der wetenschap, zoodat de twee parijsche kloosterscholen, een voor

(i) Vgl. Annal. Ord. Praed. t. I, 66 et seqq.; Boll. XXXIX, 541 et seqq.

Sluiten