Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gestaan naar de parijsche school drie harer leerlingen te zenden (1).

Een samenloop van gunstige omstandigheden had aan SaintJacques twee leeraarszetels geschonken, die deel uitmaakten van de parijsche universiteit.

Uit de bisschoppelijke scholen der hoofdstad, dat is uit de scholen van Notre Dame, had zich geleidelijk een scholengroep ontwikkeld, die eene algemeene school was, eene namelijk voor leerlingen niet van een bepaalde stad of streek, maar voor studeerenden van alom, van alle landen. Deze algemeene school, een studium generale, was goeddeels ontstaan door de hoogere onderwijswaarde, die van heinde en verre weetgierigen aantrok, en na haar ontstaan bevestigd door nieuwe pogingen om het onderwijs hoog te houden, alsmede door van overheidswege toegekende voorrechten, die zulk een onderwijsinrichting tot een studium privilegiatum verhieven. Naar verschillende studievakken konden verschillende algemeene scholen zich vormen, welke wij in een bijkans onmerkbaar groeiend spraakgebruik als faculteiten zien aangeduid. Parijs had vier faculteiten: Godgeleerdheid; Kerkelijk Recht of Dekreten; Geneeskunde; Vrije Kunsten of de bekende Artes van trivium en quadrivium. Over het algemeen werd de studie dezer laatste faculteit, als eene voorbereiding beschouwd voor de drie andere. In iedere faculteit kon men zijn graden of den doktorstitel behalen. Naast doctor was ook professor en magister als titel gangbaar, en te Parijs in de faculteiten van Godgeleerdheid, Geneeskunde en Vrije Kunsten werd meestal het woord Magister of meester gebezigd (2). Gedurende de XlIIde eeuw verwierven de algemeene Studiën, eerst die van Parijs, Bologna en Salerno alleen reeds door haar buitengewoon aanzien, later ook andere door pauselijk of keizerlijk gezag, voor den doctorstitel het jus ubique docendi, een internationaal recht dus om te leeraren. Zonder ons hier bezig te houden met afwijkingen van dit recht, in leer of in praktijk, herinneren wij hier alleen het feit, dat wie eenmaal te Parijs had onderwezen en onder de magisters was opgenomen, zonder eenige nieuwe proef van bekwaamheid in alle andere Studiën

(1) Mortier, Hist. des Maitres généraux, t. I, 224—246; 544—547; Reichert, Acta capit. generalium (1898), vol. 1.

(2) Hastings Rashdall, The Universities of Europe in the middle Ages, vol. I, p. 21: the three titles, Master, Doctor, Professor, were in the Middle Ages

' absolutcly synonymous.

Sluiten