Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beurtenis werd de aanleiding, dat dit klooster spoedig daarna een tweeden leerstoel of „school" bezat. Meester Jan van SaintGilles hield voor eene groote vergadering van universiteitsleden, leeken en geestelijken, in de bij Saint-Jacques behoorende kerk eene predikatie. Zijn woord was als een lofzang op de evangelische armoede. Eensklaps stijgt hij van den preekstoel en vraagt het kleed van den H. Dominicus. De prior bekleedde hem met het ordegewaad. Toen de redenaar in het habijt zijne rede had voltooid, begon hij in de stilte des kloosters God met nieuwen ijver te dienen. Dit mishaagde aan de parijsche studenten. Meester Jan van Saint-Gilles, van engelsche afkomst, was een gevierd man. Eerst arts van Philips-August, vervolgens professor der geneeskunde te Montpellier, was hij daarna eerst student en ten slotte een bemind leeraar in de godgeleerdheid te Parijs geworden. Zijne studenten lieten hem niet in zijne verborgenheid, maar vroegen met klem, dat hij als Dominikaan zijne lessen zou hervatten. Het opperste gezag bij de stichting eener „school" was de bisschop van Parijs, en daar deze zijne toestemming schonk, waren er in Saint-Jacques sedert dien tijd twee scholen of openbare leerstoelen, gelijkmachtig deel uitmakende van het groot Studium generale, dat het middelpunt vormde der theologische wetenschap (1). Reeds had Saint-Jacques kracht ontvouwd door geleerden als Michael van Fabra, Reginaldus van Orleans en Jordanus van Saksen; doch thans ging de studie in het klooster, doordien God met de gunstige omstandigheden buitengewone mannen schonk, dagen van zooveel zegening tegemoet, dat geheel de universiteit van Parijs en alle christenlanden er wel bij zouden varen (2).

Parijs bezat nu twaalf theologische leerstoelen. Bij het achttal, dat sedert 1207 bestond, had Paus Honorius in 1218 een negenden gevoegd; die der Franciskanen werd omtrent 1231 opgericht.

des Maitres généraux, t. I, p. 234—240; Thurot, De 1'organisation de 1'enseignement dans 1'Université de Paris (1850), p. 114.

(1) In 1256, bij den strijd over de twee dominikaansche leerstoelen, verzekerde men wel, dat de tweede verkregen was vpraeter — Duboulay schrijft ten onrechte per — voluntatem cancelarii»; doch niemand kon beweren, dat de instemming' van den bisschop had ontbroken. Zie Denifle, Chartul. Univ. Paris. no. 230; Mandonnet, Rev. Thom. 1896, 162—165 ; Quétif et Echard, I, 92—100.

(2) Vgl. Denifle-Chatelain, Chartul. I, 65, 85, 135; Denifle, Archiv, II, 174; Mandonnet, Rev. Thom. IV, 156—158.

Sluiten