Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langen dienden, dreef de Aquiners uit hun erfgoed en in ballingschap. Sint-Thomas' broeder, Reginald, doodde hij met het staal (1). Graaf Landulf zelf schijnt in de ballingschap gestorven, als een man van plicht en deugd, die zijne ziel meer dan zijn adellijke burchten liefhad. Na een leven, zoo vol lotsverwisselingen en zoo rijk aan deugden stierf Theodora, de fiere edel vrouw en moeder van den engelachtigen Leeraar, een heiligen dood. Thomas' oudere zuster zeide vaarwel aan de wereld en bestuurde als abdis het benedictijner Sint-Maria-klooster te Capua. Zijne jongere zuster, met den graaf van Sanseverino gehuwd, werd een toonbeeld der christelijke gaden en moeders, een dier fijnbewerkte, van Christus' geest doordrongen zielen, waaraan de XlIIde eeuw zoo rijk en waarvan de H. Elisabeth van Hongarije een der schoonste typen was (2). En om tot Thomas weder te keeren, wie zegt ons, wat al geestelijke zegeningen God om zijnentwille aan de beproefde bloedverwanten bewezen heeft. Het ootmoedig gebed van dien getrouwen dienaar zal den hemel een heilig geweld hebben aangedaan (3).

Een plechtige levensdag wachtte den Heilige nog, de dag van genade zijner priesterwijding.

Naar wij vermoeden, ontving Thomas dit heilig Sacrament te Parijs van den beroemden bisschop Willem van Auvergne,

(1) De Tocco, VII, n. 38; VIII, n. 45. — Ptol. Luc. XXII, 20.

(2) De Tocco, I, 5, VII, 38. — Mich. Monach. Boll. t, VII, 660.

Daar was nog eene andere Thomas van Aquino, over wien de Hist. pol. Blatter, 1885, breedvoeriger handelen. Dr. Schaepman, St. Thomas van Aquino, bl. 15—16 zegt van hem: »Op dat oogenblik zelve (1245) vervulde een andere Thomas van Aquino, graaf van Acerro, het Westen en het Oosten met zijn naam. Hij was, deze graaf Thomas, de vertrouwde vriend en raadsman van Keizer Frederik II van Hohenstaufen, 's keizers bewindvoerder in Jeruzalem en in menig deel van Italië. Een geweldig man deze graaf Thomas, een geboren staatsman hij, aan wien men, hoe men 't misbruik ook lake geen erkenning van groote gaven weigeren kan. Om zijnentwil was het geheele huis van Aquino Gibellijn.«

Bijzonderheden aangaande eene veranderde stemming van dezen graaf van Aquino kunnen wij niet melden.

(3) Sommigen meenen, dat de aanbieding en weigering der abdij van Monte Cassino, waarover wij bl. 44 spraken, in het jaar 1248 geschiedde. Vgl. Ptol. Luc. H. E. XXII, 20; Tosti, Storia della Badia di M. Cass. t. III, 6. — Cantimpratanus, De apibus, I, 29, § 10 wijst ons voor genoemde gebeurtenis het jaar 1244 aan.

Sluiten