Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of korten tijd daarna te Keulen uit de handen van aartsbisschop Koenrad.

Het was een nieuw verbond zijner ziel met God. Nog liefelijker dan ooit werden hem de heilige Tabernakelen. De schoonste altaarzangen zongen in zijn binnenste, voor hij er een zwakken weerklank van deed hooren onder het katholieke volk, aanbiddend neergebogen op het vredefeest van den hoogheerlijken Sacramentsdag. Zoo dikwijls hij den kelk des Heeren dronk, leefde hij met Christus en Christus in hem (1). Gedwongen tot terugkeer naar de aarde, bleef hem geen andere troost dan te volbrengen wat hij dagelijks bad: Verleen mij, bid ik u, barmhartige God, wat u welgevallig is, vurig te begeer en, behoed saam te zoeken, waarachtig te erkennen en volmaakt te vervullen, tot lof en glorie van uwen naam (2).

(1) De Tocco, V, 28; VI, 30, 34, 35.

(2) Boll. t. VII, 684: Conceae mihi, quaeso, misericors Deus, quae tibi placita sunt, ardenter concupiscere, prudenter investigare, veraciter agnoscere et perfecte implere, ad laudem et gloriam nominis tui.

Sluiten