Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenmaal, toen de meester niet daar was, in het wondervertrek. Hij ziet er vreemdsoortige dieren, kunstige werktuigen, vreemde toestellen en glazen, en achter een scharlaken gordijn bespeurt hij een wondere verschijning, die zijne blikken boeit met sterke tooverkracht en eensklaps tot driemaal roept: „Salve/". In zijn schrik slaat hij den onverklaarbaren spreker, en de automaat stort uiteen. Albertus snelt aan; hij ziet de verwoesting. „Thomas! Thomas! — roept hij — wat zijt gij begonnen! dertig jaren arbeids hebt gij mij in een omzien vernield" (1).

De legende past geheel bij het historische feit, dat de leider van het keulsche studiehuis allerlei onderzoek en proefnemingen liefhad.

Hoedanig Thomas' werkzaamheid in deze jaren (1248—1252) te Keulen geweest is, laten de oude schrijvers in het onzekere. W as hij al dien tijd nog student of werd hem een deel van het onderwijs opgedragen .J Wanneer men zijne wijsgeerige studie aan de napolitaansche universiteit laat beginnen en de lange maanden der gevangenschap bovendien als eenige winst voor Thomas' wijsgeerig-theologische vorming beschouwt, schijnen de parijsche leerjaren grootendeels aan de toenmalige dominikaansche wetten op het leeraarsambt te voldoen (2). Echard schrijft, dat Thomas volgens de ordevoorschriften omtrent hen, die van de generale studie terugkeerden, vier of vijf jaren wijsbegeerte, Schriftuur en Lombardus' Sententies onderwees. Het was verder eene overlevering,dat Ambrosius van Siena met zijnen landgenoot, onder Albertus als regent, de nieuwopgerichte hoogere studie te Keulen op gang bracht en volgens de Nekrologie van het klooster te Siena is de Aquiner te Keulen leeraar geweest (3). Ptolomeus van Lucca zegt zeer algemeen, dat de Aquiner, tot zijn vertrek als leeraar naar Parijs, te Keulen

(1) Sighart, Albertus der Gr., H. XI.

(2) Mortier, Hist. des Maitres généraux, t. I, p. 406—407 betoogt, dat de H. Thomas te Keulen tot 1252 zonder eenig leerambt en student bleef. Anders vindt men, naar zijne meening, geen tijd voor degelijke wijsgeerige studie en voor theologie, waarvoor de wet gold: Nullus fiat publicus doctor nisi per IV annos ad minus theologiam studuerit, audierit. Zoo luidde de Constitutie van Jordanus van Saksen. Zie Anal. Ord. 1896, p. 644. — Daarbij zegt Petrus de Prussia in zijn Leven van Albertus den Grooten, dat Thomas »onder Albertus negen jaar heeft gestudeerd«. — Men zou nog Henricus van Herford (+ 1370) in diens Chronicon als getuige kunnen aanhalen.

(3) Quétif et Echard, Script. Ord. Praed. t. I, p. 278 en 401.

Sluiten