Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„veel van anderen leerde, maar ook veel uit eigen geest te voorschijn bracht, vermits hij alle menschen in vinding en oordeelskracht overtrof" (1).

Een meer bepaald getuigenis van Thomas' ontwikkelingsgang geelt ons dien eerstelingswerk: de verhandeling De ente et essentia, dat is Over bestaan en wezenheid. Dit geschriftje, hetzij te Keulen zelf of, als vrucht der studiën in die stad niet lang na de komst te Parijs vervaardigd (2), draagt een hoog wijsgeerig karakter, waaraan vooral kardinaal Cajetanus kommentaar recht liet wedervaren. Als feit heeft het een hooge beteekenis.

Het behoorde toen, in vele kringen, tot de vragen van den dag, of ware kloosterlijke zin kon samengaan met studie der heidensche wijsgeeren, van Aristoteles vooral; en de meening was sterk verspreid, dat de aristotelische wijsbegeerte, niet de logica, maar de metaphysica en de natuurkunde van den Stagiriet, een gevaar was voor het christelijk geloof. Eenige van Thomas' ordebroeders wier geest duidelijk blijkt uit de Vitae Fratrum, de bekende stichtelijke verhalen van Gerard de Frachet, konden zich de vereeniging van ware vroomheid en zulke wereldsche wijsheid moeilijk voorstellen. In hun oog waren die syllogismen van aristotelische of arabische geleerden zwarte vlekken op de smettelooze bladen der H. Schriftuur en der wijsheid Gods. Zelfs was de dominikaansche wetgeving van 1228 tegen een gezette studie van „heidensche en (arabische) wijsgeeren" ingegaan, doch blijkens de zeer gezagrijke verklaringen van den streng-ascetischen ordegeneraal Humbert van Romans kwam de praktijk dezer wet niet op een miskenning maar op eene leidingder nieuwe wijsgeerige studiebeweging neer (3). Geheel past in deze praktijk Albertus' en Thomas' reuzenarbeid voor de aristotelische wijsbegeerte. En juist onder dit opzicht was het geschrift: — eene brochure — Over bestaan en wesenheid, uiterst belangrijk. Een nog jeugdig kloosterling van een door en door oprecht en streng-ascetisch geloofsleven, een ootmoedig geleerde, gevormd door een meester van heiligen levenswandel en vaste trouw aan de Kerk, treedt uit zijne eenzaamheid en als uit de

(1) Ptol. Luc. H. E. XXII, 21: ibidem multa hausit, quamvis ex suoingenio multa invenerit, quia in inventiva, et judicativa omnem hominem transcendit.

(2) Ptol. Luc. H. E. XXIII, 13; De Rubeis, Dissert. crit. XXIII, 3.

(3) Denifle, Archiv für Litt. und Kirchengesch. I, 184—191; Humb. de Romanis, Opera de Vita Regulari, t. I (ed. Berthier, 1888), 435.

Sluiten