Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Intusschen kwam de tijd, dat hij de hitte van den dag zou moeten dragen.

Johannes Teutonicus, generaal der Predikheeren, schreef in 1252 aan meester Albertus, dat deze hem een geschikt man zou noemen voor den leeraarszetel te Parijs. Albertus noemde Thomas en zond een getuigenis op omtrent de groote geestesgaven en de vertrouwbare deugd van zijnen leerling. De generaal, nog aarzelend in zijn besluit, ging daarna bij kardinaal Hugo van Saint-Cher te rade. Toen ook deze volhield, dat de jonge lector van Keulen de man was, dien men als baccalaureus naar de parijsche universiteit behoorde te zenden, was de keuze beslist, en onze Heilige, hoe gelukkig hij in zijn ootmoed ook zou geweest zijn op de lagere plaats, moest aan het opperste gezag gehoorzamen (1). Vrijwillig was hij immers een pelgrim geworden, zonder vaste haardstede naar zijne wenschen. Aldus scheidden Albertus en Thomas van elkander.

Het is waarschijnlijk, dat de reis over Aken, Maastricht en Leuven ging. In de brabantsche hoofdstad wekte hij bij vele aanzienlijken groot vertrouwen; men verhaalt verder, dat hij een geschil onder de kapittelheeren vereffende en eene vredelievende regeling met zijne handteekening bezegelde. Hij bezocht ook het hof van Brabant, en versterkte hertog Hendrik III en Adelheid van Bourgondië in hunne goede gezindheid jegens zijne kloosterorde. Zijn genie en zijne deugden schijnen bijzonder de hertogin getroffen te hebben, die bij haar volk als eene verstandige en zachtaardige gebiedster bemind was (2).

In Oktober 1252 was de heilige pelgrim te Parijs.

(1) De Tocco , III, 15. — De schrijver spreekt niet uitdrukkelijk over Thomas als lector. Hij zegt alleen: »cum Frater Thomas sic mirabiliter in scientia et vita proficeret« ; en dat Albertus hem aanbeval »sui discipuli praevidens velocem in doctrina profectum«, en sdescribens ejus sufficientiam in scientia et vita.u

(2) Touron, Vie de St. Thomas, p. 111; Namèche, Cours d'Hist. nationale, t. IV, 570.

Sluiten