Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kloosterling is een vroom Christen, die vreemd aan kerkelijke en maatschappelijke bedrijvigheid, vreemd vooral aan wetenschappelijk leven te Parijs, zijne gebeden zegt en met handenarbeid zijn levensonderhoud wint: ziedaar het denkbeeld, onder allerlei verbloemde termen allerwegen verkondigd. Een kloosterling was dus een heremiet. Wenschte hij meer dan een heremiet te zijn, dan was hij volgens de redekaveling van meester Willem een wegbereider van den antichrist (1). Nu was ontegenzeggelijk b. v. het leven van Sint-Antonius den kluizenaar eene waardige wijze om God te dienen, maar niet de eenige. Want evenals iedere Christen in het algemeen eene keuze doet tusschen het leven in de volle maatschappij en het leven in een klooster, zoo zijn deze beide levenswijzen op zich voor eene duizendvoudige verscheidenheid vatbaar. Hoe wil men dan het rijke Christendom afmeten naar zulk een bekrompen maatstaf? Tegenover het enghartig ascetisme van den Bourgondiër omschrijft de Heilige nu het waarachtig wezen van den kloosterstaat: dat deze gelegen is in de drievoudige gelofte van armoede, zuiverheid, gehoorzaamheid, en steeds een vaarwelzeggen aan de wereld en eene bijzondere toewijding aan werken van liefde vooronderstelt ; dat alle orden hierin één zijn, maar dat er overigens plaats voor de grootste verscheidenheid is; dat sommigen zich wijden aan het beschouwende leven, om bezig te zijn met God, gelijk de monniken en heremieten, anderen aan het bedrijvige leven om God door daden van naastenliefde in Zijne ledematen te dienen, gelijk zij die zich aan God toeheiligen tot het verplegen van kranken of het loskoopen van slaven en andere werken van barmhartigheid (2). — Geen werk dus van barmhartigheid, zegt de Aquiner, of er kan eene orde voor worden ingesteld! Deze beginselen, die de nooit veranderde katholieke leer en de zedelijkheid zelve zijn, bewijzen de ruime levensbeschouwing, waardoor een waarachtig kloosterling zich steeds zeer gunstig van

fl) Du Boulay, H. U. P., t. III, p. 640 et seqq. — S. Thom. Aquin. Contra impugnantes etc. capp. II—XX en cap. XXV.

(2) ... sunt aliquae religiones institutae ad vacandum Deo per contemplationem, sicut religio monastica et eremitica; aliquae autem ad serviendum Deo in membris suis per actionem, sicut illorum qui ad hoe Deo se dedicant, ut infirmos suscipiant, captivos redimant, et alia misericordiae opera exequantur. Nee est aliquod opus misericordiae ad cujus executionem religio institui non possit, etsi non sit hactenus instituta etc. S. Thom. Aquin. Contra Impugnantes, c. II.

Sluiten