Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

le vereeren. Bij den terugtocht zetten zich de pelgrims een weinig ter ruste. Het was een hooggelegen plaats met een schoon uitzicht op de nabijgelegen hoofdstad. Hier opende een der jeugdige kloosterlingen het volgende gesprek: Pater, wat is deze stad Parijs toch schoon! — Ja, zij is schoon, antwoordde de Heilige. De eerste hernam: ik wenschte wel, dat zij ü toebehoorde. Wat zoude ik met deze stad doen ? sprak de Heilige. — Haar verkoopen aan den koning en voor het geld dominikaner kloosters bouwen. Op mijn woord — hernam de Heilige- liever bezat ik Chrysostomus' verklaring op Sint-Mattheus (1). Zoo spraken met hem naïeve scholieren.

Persoonlijke beleedigingen verdroeg de Heilige met onverstoorde kalmte.

Eenmaal verweet een onbeschaamde vijand hem, dat hij van een groot leeraar niets had behalve den schijn. „Ik zal trachten „aan den goeden dunk omtrent mij zooveel mogelijk te beantwoorden" zeide Thomas met diepe overtuiging. Een al te roekeloos leerling nam den dag der plechtige inwijdingsrede te baat, om den genialen meester openlijk te bestrijden. Ofschoon de vergadering door de opkomst aller universiteitsleeraren zeer plechtig en de smand onder de gegeven omstandigheden groot was, liet de Heilige zich alles zonder eenige tegenspraak welgevallen. Bij het wederkeeren uit de bisschoppelijke aula naar hun klooster, toonden Thomas' gezellen zich zeer verwonderd, hoe hij dezen hoon, die allen trof, gedoogd had. „Mij dacht", hernam de nederige dienaar Gods, „dat men dien magister sparen en niet „in de volle vergadering beschamen moest." Echter toonde hij zich bereid, wenschten dit zijne broeders, weldra zijne tekortkomingen aan te vullen. Dit geschiedde reeds den volgenden dag, toen de redetwist over dezelfde vraagstukken in de bisschoppelijke aula werd voortgezet. De jeugdige kampioen, voor de bondige redenen zijner gisteren zoo zwijgende wederpartij zwenkend, zocht eerst in het wisselen van termen zijn heil; maar rusteloos door Thomas' betoog vervolgd, streek hij welhaast de vlag. Dit nu verbaasde niemand; wel bewonderden allen de goedige bescheidenheid, waarmee de Heilige zijn overmoedigen beleediger tot zwijgen bracht.

Later zullen wij hem bij een openbaren redetwist tegenover

(I) Barth de Capua, Froc. de vita IX, 76.— De Tocco. Vil, 4.3. — Ibid. V, 27.

Sluiten