Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

raadsel toeschijnt, en zwicht een aardsch geleerde, hoe schrander ook, voor het fijn vernuft der onstoffelijke geesten, welnu, God overtreft het peil van alle denkvermogen, omdat hij God en dus oneindig is. Het is daarom tegen de rede, wat men niet begrijpt, onwaar te noemen, ómdat men 't niet begrijpt (1). — Er bestaat dan een tweevoudige orde van godsdienstwaarheden, tweevoudig namelijk, niet met betrekking tot de waarheden zeiven, die éen zijn in God, maar met betrekking tot ons kenvermogen, waartoe deze waarheden op verschillende wijze in verhouding staan (2).

Hier rijst een tweede vraag: is het wenschelijk en heilzaam, dat eenige dier waarheden ons van Godswege door de Openbaring worden voorgesteld ? Op deze vraag geeft Thomas zeer helder en bevestigend antwoord. Heilzaam is de openbaring van waarheden, die het natuurlijk licht der rede ook door eigen nadenken vermag te achterhalen, naardien zonder deze goddelijke tegemoetkoming, slechts weinigen en dezen maar ternauwernood en na groote tijdruimte, en dan nog velen hunner niet zonder eene vermenging van twijfel of van dwaling, tot deze soort van waarheden zouden opklimmen (3). Heilzaam in de tweede plaats is de openbaring van waarheden, tot wier kennis onze geest uit zich zeiven volstrekt niet, en zelfs door de openbaring niet meer dan onvolkomen geraakt; want, zij het hier beneden nog duister, als in een spiegel en in een raadsel, iets hoogers toch leeren wij van Gods volmaaktheden kennen. De hooge verborgenheden matigen verder menschelijken eigenwaan, die als stichter veler dwalingen vaak in de scholen voorzit en het rijk der waarheid binnen de grenzen van eindige denkkracht wil afperken. W el schenkt deze Openbaring niet het volle licht der geheimenissen, maar iedere kennis, hoe onvolmaakt ook, dezer alleredelste waarheden draagt reeds veel bij tot de volkomenheid onzer ziel (4). Het is daarom tegen de rede het nut eener openbaring te loochenen. In het zesde hoofdstuk wordt over het feit zelf der Openbaring gesproken. Is het een wijsgeer waardig geopenbaarde waarheden

(1) C. Gent. I, 3. ...

(2) Dico autem duplicem veritatem divinorum, non ex parte ipsius Dei, qui est una et simplex Veritas, sed ex parte cognitionis nostrae, quae ad divina cognoscenda diversimode se habet. C. Gent. I, 9.

(3) L. c. c. 4- ,

(4) L. c. c. 5. Ex quibus omnibus apparet, quod de rebus nobilissimis

quantumcumque imperfecta cognitio maximam perfectionem animae confert.

Sluiten