Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eén is 's menschen ziel, schoon drievoudig in haar werking, wat de plantenziel de plant schenkt, de dierenziel het dier, dit alles schenkt de menschelijke ziel en daarbij schenkt zij de redelijkheid (1). Niet onmiddelijk door hare wezenheid (essentia) is zij werkzaam, maar door verschillende vermogens, naar het \ oorwerp hunner handeling onderscheiden (2); zij is onsterfelijk, gescheiden van het lichaam wordt zij bestraald door het licht van hooger geesten en behoud een klare kennis der beneden vergaarde wetenschap. Omtrent de Engelen kan zij in dit aardsche stof wel weten wat zij niet zijn, doch tot de kennis van wat zij zijn, is 't haar niet geschonken tijdens haar verblijf op deze wereld te geraken (3). Gescheiden van dit lichaam behoudt de ziel alleen in beginsel en als den wortel harer vroegere vatbaarheid voor zinnelijke gewaarwordingen (4); toch kan zij \ oor hare zonden door God gekastijd worden door het stoffelijk vuur. Hoe? Niet door alteratio, maar door alligatio. Het vuur zal namelijk als werktuig der goddelijke rechtvaardigheid op de ziel werken door haar te boeien. Gods macht zal den geest aan deze stof binden en daardoor de ziel en hare werkzaamheid als vastgeketend houden. Geroepen tot de gelukkige vereeniging met God zal de ziel met diepe smart vervuld worden door deze gedwongen onderwerping van haar onstoffelijk bestaan aan de stof. Afhankelijk te worden gemaakt van lagere wezens zal de straf der ziel zijn; het zalig bezit van het hoogste Wezen haar loon (5).

Niet lang na dit geschrift, in de dagen van Paus Clemens IV, te Rome of wellicht te Bologna, gaf de Heilige voorlezingen over een vraagstuk, dat den mensch steeds zoo geheimzinnig en onoplosbaar voorkomt, het kwaad. In vele zijner werken liet Thomas ons diepdoordachte bladzijden na over natuur, oorzaak en werking des kwaads. Hij koos het tot uitsluitende beschouwing in een nieuwe groep Quaestiones disputatae, ons bewaard onder den titel: Over het Kwaad (6).

(1) L. c. art. XI, p. 500.

(2) L. c. art. XII, p. 502; art. XIII, p. 506-

(3) L. c. art. XIV—XVI, p. 507—516.

(4) L. c. art. XX, p. 529.

(5) L. c. XXI, 532.

(6) Voor deze tijdsopgave volgen wij het gevoelen van De Rubeis, aan wiens Dissertationes over Sint-Thomas' werken met recht groot gezag wordt toe-

Sluiten