Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een vooruitgang en voor den H. Thomas, die de uit Toledo komende vertalingen minder vertrouwde, van groot nut. De Heilige zocht intusschen ook elders licht. Hij raadpleegde twee, drie en, naar het schijnt, somtijds zelfs vier grieksch-latijnsche vertalingen; vergeleek ze met andere, naar het arabisch vervaardigd, en nam voor meer zekerheid zijn toevlucht tot den

griekschen tekst (1). Zijne drie kommentaren zei ven — en dit geldt

ook van de andere, die wij later zullen vermelden, — droegen wederom het karakter van oorspronkelijkheid. Een nieuwe manier — schrijft de tijdgenoot Ptolomeus van Lucca(2).

Nieuw was zijn weg, zelfs vergeleken met dien van Albertus Magnus. Deze had, toen Thomas zijn kommentaren begon, een groot werk volbracht; een werk, waarvan de twee bekende uitgaven zijner geschritten, omdat er nog zooveel onuitgegeven bleef, ons maar een onvolledig begrip schenken. Physica, mathematische vakken, dat is het oude quadrivium van rekenkunde, wiskunde, muziek en sterrenkunde; metaphysica; ethica en logica en geheel het weten zijner eeuw had hij tot een encyclopedisch geheel, niet louter, gelijk V incent van Beauvais, tot eene encyclopedie verbonden. Aristoteles' werken waren daarbij geparaphraseerd; doch Albertus volgde den Stagyriet niet op den voet. Lezers, die bij de drukbesproken strijdvragen klaar en scherp inzicht verlangden van de ware aristotelische lezing, bleven min of meer onvoldaan (3). Buitendien bezigde de Meester gedeeltelijk arabisch-latijnsche vertalingen. Wij ontkennen niet, dat hij eenige aristotelische geschriften, de Ethiek b.v. en de Politiek en omschrijvend en verklarend(4) heeft behandeld; alleen komt het ons voor, dat die verklarende wijze en kommentaren na 1264 behooren gesteld te worden. (5) In de katholieke wereld brak Albertus de baan voor aristotelische studie; de eigenlijke commentator was Thomas.

Wat is de ware zin van den waren aristotelischen tekst? Dit te begrijpen en te doen begrijpen was het doel van den Aquiner. Hij wil den griekschen wijsgeer geenszins beoordeelen naar

(1) Talamo, 1'Aristotelismo della scolastica (edit. 2), p. 276.'

(2) Ptol. Luc. H. E. XXII, 24: quodam singulari et novo modo tradendi.

(3) Mandonnet, Siger de Brabant, p. 51—53-

(4) De ouden zeiden: per moduul scripti en per tnodum commenti.

(5) Voor de moeielijke tijdrekening omtrent Albertus' werken over Aristoteles zie Mandonnet in de Rev. Thom. 1896, p. 689—7" en 1 ^97■ P' 95 II0-

Sluiten