Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar de bijzondere stellingen der christelijke zedenleer ter sprake komen. — Het laatste doel van 's menschen vrije daden is God. Hoe geraken wij tot God? Door Jezus Christus, die ons vrijkocht voor den duren prijs van zijn heilig Bloed, die ons de zeven genadeschatten der heilige Sacramenten bij zijn Hemelvaart achterliet; die ons daarboven eene plaats ging bereiden: ziedaar de drie hoofdgedachten van het derde deel der theologische Summa. Dit beroemde geschrift schenkt ons dus eene Leer van God, eene Ethica en eene Christologie, en dit alles tot zulk eene hoogte van wetenschappelijke volkomenheid opgevoerd, dat ons nergens meer dan hier de woorden toepasselijk schijnen van Thomas' oudsten verdediger, den parijschen universiteitskanselier Godfried van Fontaines, die den Heilige het zout der aarde noemt, en een leeraar, door wien alle andere leeraren verbeterd en tegen bederf worden gevrijwaard.

Als een levensboom van edele wijsheid spreidt deze Summa naar alle zijden hare bloeiende takken uit.

Een vraagstuk (quaestio) over het bestaan van God opent het eigenlijk gezegd betoog. Verheven zijn de volgende quaestiones over Gods eigenschappen: over Zijne eenvoudigheid (simplicitas), volmaaktheid, goedheid, oneindigheid, alomtegenwoordigheid, onveranderlijkheid, eeuwigheid, eenheid, kennis, wetenschap, waarheid, leven, wil, liefde, gerechtigheid, barmhartigheid en almacht, en eene zeer schoone bladzijde over het geluk van het oneindig en eeuwig Wezen. Zelfs over het aanbiddelijk Geheim der goddelij ke Drievuldigheid—de V oortkoming, de V oortkomingsbetrekkingen en de Personen — ontsteekt de Heilige een te allen tijde zeer bewonderd licht van diepzinnige denkbeelden en redeneeringen (1). Uit overvloedige wellen stroomt de theologisch-wijsgeerige ader bij het betoog der goddelijke Werkzaamheid. Zes-en-zeventig vraagstukken handelen over Gods scheppingskracht; over de hemelgeesten, hun onstoffelijkheid, hun kenvermogen, hun willen en lieven, hun leven naar de krachten hunner natuur en der genade; over de stoffelijke wereld en het werk der zes dagen; over den mensch vooral, zijn ziel, de vereeniging der ziel met het lichaam; de vermogens der ziel in het algemeen en in het bijzonder; over het ontstaan en den toestand van den eersten mensch en den staat der erfrecht-

(i) De origine, sive de processione; de relationibus originis; de personis.

Sluiten