Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijven. „Vele der gestelde vragen behooren niet tot de Theologie," schreef hij zijnen generaal, Johan van Vercelli, toen deze hem, vermoedelijk uit naam van een bevriend geleerde, een groot aantal strijdvragen had voorgelegd (l). Ook dient men geloofsartikelen en menschelijke meeningen wel van elkander te onderscheiden; het algemeen gevoelen der grieksche of arabische wijsgeeren worde, wanneer het niet tegen de Openbaring strijdt, even min een geloofspunt als eene aan het geloof vijandige meening genoemd; men zij bij soortgelijke vraagstukken SintAugustinus' raad gedachtig: Verneem ik, dat een Christen dese dingen — de leer der wijsgeeren namelijk over den hemel, de sterren, de bewegingen van zon en maan —- niet weet en er zich verkeerde begrippen van vormt, dan blijf ik bij dese dwaling geduldig: immers het schaadt hem niet, daar hij van U, Heer en Schepper van ons allen, hiermee nog niets onwaardigs denkt, al blijven hem stand en aard der schepselen verholen ; doch wel schaadt het, indien hij dese dwaalbegrippen als geloofsleer beschouwt en het waagt sijne onwetendheid hardnekkig te verdedigen. — Men geve — vervolgt Thomas — door overdrijvingen den wijzen dezer wereld geen aanleiding om het geloof te smaden. De Heilige duldt geen afwijking van de wet, dat eene waarheid op degelijke wijze worde verkondigd. „Een prediker der waarheid moet zich niet tot onbekende fabelen wenden" schrijft de Heilige aan een zijner bekenden; en op de vraag, of de Moedermaagd, dagelijks tot Christus' opstanding, zevenmaal Simeon's voorzegging van het weezwaard in grievende smart overwoog, geeft hij ten antwoord: „zulke onbeduidende zaken moet men niet prediken, waar een zoo groote rijkdom van zékere waarheden voor de hand ligt (2)."

Tot de voornaamste Kleine Werken rekent men: drie verhandelingen over het kloosterleven; het Officie van het H. Sacrament; het boek: Over het bestuur der Vorsten ; Tegen de dwaling der Grieken ; de Verklaring eeniger leerstukken tegen de Grieken en Saracenen; Over de eenheid van het Intellect tegen Averroës

(1) Responsio ad XLII articulos. S. Thom. Opp. t. XVI, p. 168.

(2) Resp. ad Lect. Bisunt. S, Thom. Opp. t. XVI, p. 175. Non enim decet praedicatorem veritatis ad fabulas ignotas divertere. — Nee aestimo hujusmodi frivola esse praedicanda, ubi tanta suppetit copia praedicandi ea quae sunt certissimae veritatis.

Sluiten