Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoeverre de middeleeuwsche priesterschap kennis droeg van een volledig stel klassieke regelen voor de gewijde welsprekendheid, of zich aan zulke regelen, al waren zij genoegzaam vastgesteld, verbonden rekende, hierover wagen wij het niet te beslissen. Zeker werden eenige hoofdbeginselen geëerbiedigd door alle priesters, wien hun heilige roeping ernstig ter harte ging. Waarheid, godsdienstig gevoelen, bevattelijkheid golden als de edelste eigenschappen van een verkondiger des geloofs. Met kracht streden de beste meesters tegen eene afwijkende richting, die het behagelijke, den zoeten klank of een wereldsche geleerdheid als hoogste doel bejaagde; Jezus' leer te doen zegepralen over de dwaling, de zonde en de wereldschgezindheid, daartoe riep God zijne priesters (1). Voor de Dominikanen der XlIIde eeuw, om ons bij dezen te bepalen, lag het kort begrip van hunnen prediktrant hierin, dat men meer naar het nuttige dan naar het vernuftige had te streven; dat voorbeelden steeds de bewijsvoering behoorden te vergezellen; dat de priester voor sijne kunst en geleerdheid eene hoogere wijding moest zoeken in de genade Gods en een stichtenden levenswandel; drie regels, door het gezag van den H. Dominicus, Jordanus van Saksen, Albertus den Grooten, Jacobus de Voragine, Humbert van Romans en door de ordewetten zelve geheiligd (2).

De H. Thomas werd door geen anderen geest bezield. „Gij zijt het licht der wereld" — zegt hij in zijn kommentaar op den H. Mattheus. — „Derhalve moet de verkondiger van Gods woord drie eigenschappen bezitten... vastheid, opdat hij niet afwijke van de waarheid; helderheid om niet duister te zijn bij het onderrichten; nuttigheid, opdat hij Gods glorie zoeke, niet de zijne" (3). Als de voornaamste kenbronnen van Christus' geopen-

(1) Predicatio non debet habere in se aliqua scurrilia vel puerilia, vel rimorum melodias vel metrorum consonantias que potius fuerunt ad aures audientium demulcendas quam ad animum informandum; debet habere predicatio pondus, ut virtute sententiarum animos auditorum emolliat et ad lacrimas moveat, excitet mentem, pariat contritionem, compluat doctrinis, intonet minis, blandiatur promissis, et ita tota tendat ad utilitatem proximorum. Vgl. naar Mss. lat. etc. Bourgain, La Chaire francaise, p. 50; 234—236, en Lecoy de la Marche, La Chaire francaise, p. 18—41.

(2) Lecoy de la Marche, La Société au XlIIme siècle, ch. VI; Mortier, Hist. des Maitres gén. I, 497—518.

(3) .... Stabilitas, ut non deviet a veritate,.... claritas, ut non doceat cum

Sluiten