Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar het Lecoy de la Marche voorkomt, met die van Uccelli dezen familietrek: „een duidelijke ingenomenheid, overeenkomstig den tijdsmaak met verdeelingen, maar zonder dorheid; eene groote degelijkheid van leering; een onbetwistbaar talent van uiteenzetting, kortom een weerschijn van het genie, dat in de Summa schittert" (1).

Geven de nieuwgevonden Sermones ons dus de volle werkelijkheid? Wij mogen het betwijfelen. Immers zijn zelts die leerredenen wel zoo uitgesproken als zij geschreven zijn (2)? En behelzen zij juist dat belangrijke deel van Thomas' priesterlijk woord, zijn apostolaat buiten akademische of kloosterlijke kringen en voor het geloovige volk in het algemeen? Wat de geschriften van den Aquiner ons hier niet dan hoogst onvolledig melden, mogen getuigenissen van tijdgenooten aanvullen.

Eerst trachten wij de Sermones, genomen zoo als zij voor ons liggen, in eenige bijzonderheden te beschrijven.

De schetsen, die ons van Sint-Thomas' leerredenen zijn toegekomen, zijn naar eene en dezelfde wijze bewerkt.

Bij de Dominicales of Zondagspreeken bestaat de inleiding uit eene verklaring van den letterlijken of den toepasselijken zin der gewoonlijk aan het evangelie of de epistelles ontleende tekstwoorden, waaruit verder de verdeeling wordt ontwikkeld. Op den eersten Zondag na Drie-Koningen b. v. luidt de gekozen tekst: Ik en uw vader zochten u met droefheid, Luc. II. Drie punten geeft hier de heilige redenaar aan: de personen, die zoeken ; de wijze, waarop zij zoeken; den persoon, dien zij zoeken. Ieder punt zijner verdeelingen staaft hij met twee, drie, somtijds zelfs met acht redenen, allen door eene toepasselijke schriftuurplaats gesteund. De H. Schrift, in haar viervoudigen zin gebe-

(1) Lecoy de la Marche, La Chaire francaise, p. 123. — Vgl. over drie exordiums van S. Thomas A. Gardeil, in de Rev. Thomiste, 1893, p. 379—386. — De gelukkige vinders der handschriften van Thomas' preeken schijnen de echtheid der gevonden stukken niet in twijfel te trekken. Uccelli houdt het er zelfs voor, dat zijn in de bazeler boekerij gevonden MS. eener preek op den 20sten Zondag na Pinksteren een autograaf van den Heilige is.

(2) Deze twijfel wordt niet weggenomen, wanneer men ons bewijst, dat een of ander MS. van den Aquiner zelf is. — De onzekerheid wordt grooter, wanneer wij louter reportata vinden, gelijk Mandonnet, Siger de Brabant, p. 126 de preek op den 3den Zondag na Sint-Petrus en Paulus — en volgens den schrijver vermoedelijk van 20 Juli 1270 — zonder eenig voorbehoud noemt »la reportatio d'un auditeur.ee

Sluiten