Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijner beroemde Summa tegen de Heidenen b.v. bediende hij zich niet van het toen nog zeldzame papier, schoon hem dit voor de hand lag, maar bij voorkeur van geringe perkamentbladen (1). Wij herinneren ons, in welke stemming Thomas de bul zijner verheffing tot aartsbisschop ontving met de toezegging der kloosterinkomsten van de oude abdij S. Petrus ad Aram. Hij weigerde, en smeekte zóo dringend van alle verdere benoemingen vrij te blijven, dat Paus Clemens IV zwichtte (2). Des te hooger schatte hij de gehoorzaamheid- Dat een mensch om God aan een zijner medemenschen gehoorzaamt, gelijk Christus om wille van den mensch aan een mensch gehoorzaam was, hierin — zeide hij — lag het wezen van den kloosterstaat. Zijne daden leeren ons, met hoeveel eenvoud hij zich tot in de kleinste zaken gebonden hield aan het wettig gezag. Stichtend in zulk een roemrijk man is de volgende bijzonderheid. Toen hij reeds aan zijne theologische Summa werkte, wandelde Thomas, die zich tijdelijk te Bologna bevond, in beschouwingen verdiept door de kloostergaanderij. Een vreemde, eenvoudige broeder, die den Heilige niet kende, vroeg en verwierf toestemming om zaken in de stad te gaan regelen; de eerste kloosterling, — ordende de prior — dien hij ontmoette, zou hem vergezellen. De vreemdeling trof het eerst den Aquiner en zeide: goede frater, de prior wil, dat gij met mij gaat. Thomas neigde het hoofd en volgde zijn medebroeder, die, snel van gang en niet zachtzinnig van aard, den Heilige meermalen om zijn langzamer gang bestrafte. Deze verontschuldigde zich ootmoedig. Maar burgers ergerden zich en vroegen den vreemde, of hij wel wist, wien hij zoo door Bologna voortsleurde. Nu verontschuldigde zich de vreemdeling. Toen sommigen hierop verklaarden niet te begrijpen, hoe Thomas zich zoo kon vernederen, hernam deze, dat gehoorzaam zijn uit liefde tot God kloosterplicht en navolging van Christus is (3).

Die ootmoedige, gehoorzame was tevens de reus van arbeidskracht, het ongeloofelijk wonder van geweldig en omvangrijk werken. „Het schijnt inderdaad een wonderwerk Gods, — zegt

(1) Antonius de Brixia, in Proc. de vita, VII, 66. — Vgl. Uccelli, S. Thom. Aquin. Summa de Veritate Cath., Praef. p. XXVI en XXXI en Wattenbach, Das Schriftwesen im Mittelalter.

(2) Ptol. Luc. H. E. XXII, 29; de Tocco, VII, 43- — zie boven bl- '37-

(3) De Tocco V, 26.

Sluiten