Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Tocco — dat de Heilige, binnen het kort tijdsbestek zijns levens, zoovele boeken dicteeren kon, zoovele vraagstukken afdoende behandelen, zoovele nieuwe dingen in zijne geschriften leeren. 't Is, als hadde niets dan het overwegen der gewijde Boeken zijnen tijd ingenomen. Hetzij onder den maaltijd, hetzij bij het wandelen, wat hij ook deed, altijd moet hij doordacht hebben, wat hij daarna schreef of schrijven liet" (1). Het is niet noodig hiervan veel te zeggen. Geheel dit levensverhaal spreekt. Met diep plichtbesef heeft Thomas zich van alle gewone en buitengewone priesterlijke bedieningen gekweten: wat hem zijn levensstaat en ambt oplegden niet alleen, maar gewenscht, ja maar eenigerwijze mogelijk maakten, kwam hij na, mannelijk, onvermoeid, nauwgezet, overvloedig. Elk punt van het wegvloeiende nu dezer aarde stelde hij op prijs als goud. Maar dit hoog plichtbesef was hem meer dan zelfbewustzijn en de volle kracht zijner persoonlijkheid, van zijn Ik. Hij zocht het te verinnigen tot liefde, tot hemelsche liefde. Daarvoor verwachtte hij Gods afgesmeekte genade. Hij trachtte dicht nabij zijnen God te blijven door de godsdienstige gebruiken en het ascetisme van het roomsche geloof.

Wat zou er van zijn hart ten laatste worden, indien alle levenskracht werd samengetrokken naar het verstand ? Om dan de zorg voor zijne zaligheid niet te laten verslappen en de godsvrucht niet in zijne ziel te laten wegdorren, zocht hij dagelijksche stichting door het overwegen der H. Schriften. Bovendien ging er geen dag voorbij zonder het lezen van enkele bladzijden uit een geliefd ascetisch boek. Waarom hij tot dit doel Cassianus' Verhandelingen of Collationes gaarne uitverkoos, verklaren wij uit eene keurverwantschap tusschen hem, die het Hemelrijk met de geweldigen wilde veroveren en de heiligsten onder de oude woestijnbewoners, wier geestelijke lessen over bijna bovenaardsche reinheid van zeden en heldhaftig strijden om de kroon van evangelische volmaaktheid ons door Cassianus (f 435) zijn bewaard (2). Toen die zoete geur en zuivere bekoorlijkheid van deugd uit de egvptische wildernissen opkwamen, had immers de H. Augustinus, diep in de ziel geroerd, reeds tot zijnen

(1) De Tocco, IV, 19.

(2) Vgl. Bardenhewer, Patrologie (1894), p. 486—488 en Stephan Schiwietz, Das morgenlandische Mönchtum (1904).

Sluiten