Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„de H. Paulus leert; zelfs schijnen hem, die bemint, rampen en „tegenheden zoet, zooals wij onder ons bewaarheid zien. De „liefde eindelijk voert ter zaligheid: alleen aan hen, die Gods „liefde bezitten, wordt het altijddurend geluk belooft; en zonder „deze liefde is niets toereikend. Voortaan is mij weggelegd de „kroon der rechtvaardigheid', welke de Heer mij geven zal in „dien dag, de rechtvaardige Rechter; niet echter alleen aan mij, „maar ook dengenen, die zijne verschijning liefhebben. Alleen „de liefde, geen andere deugd veroorzaakt de verschillende „graden van eeuwige gelukzaligheid. Velen leefden in strenger „onthouding dan de Apostelen; zij nochtans muntten om de „voortreffelijkheid hunner liefde boven alles uit: sij besaten de eerstelingen des geestes" (1).

Dit zijn onderwijzingen. Zij waren goddelijk geweld, dat Thomas' ziel vermorzelde en haar in groote gebrokenheid deed smeeken Peto quod petivit latro poenitens...

en:

Pie pellicane Jesu Domine Me immundum munda tuo sanguine (2).

In hem, den Aquiner, dien sterken man naar geest en wil, was eene kinderlijke aandoenlijkheid. God schonk hem de troostrijke gave der tranen. De H. Geest bad in hem en verhief zijne ziel tot de geheimzinnige smart en de machtige vervoering der extase.

Dante noemt den Aquiner: il buon fra Tomaso. Dit stemt overeen met de geschiedenis, die voor Thomas' omgang met de menschen als hoofdkenmerk aanwijst: goedheid.

De groote denker was geen gezelschapsman. Hij was een minnaar der eenzaamheid. Overgegeven aan beschouwing wandelde hij wel in tuin of in kloostergaanderij, maar omgang, uitsluitend tot ontspanning, zocht hij weinig. Niettemin knoopte hij met zijn medebroeders of met vreemden gesprekken aan, wanneer dit hun tot troost of nut kon strekken, maar samenspraken met vrouwen ontweek hij gestreng (3). Zoo was hij voor zich. Een groot zwijger.

(1) S. Thom. Aq. In duo praecepta caritatis et iri decem legis praecepta expositio. Edit. Parm. XVI, 98. — Vgl. De Rubeis, Diss. crit. VIII, 1.

(2) Zie boven bl. 145—149.

(3) Proc. de vita, nu. 42, 66, 77; de Tocco, VI, 50.

Sluiten