Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de personen, het geldt een onderzoek, welke levensstof uit zijnen aard met de christelijke volmaaktheid nauwer verwant is.

Onverstandig en onrechtvaardig als de partijzucht pleegt te zijn, verwrong zij deze leer over de volkomenheid tot eene aanmatiging, alsof de kloosterlingen en de jonge bedelorden, en de nederige Bonaventura en Thomas voorop, zich zeiven bij uitstek de volmaaktheid toeschreven en haar anderen ontzegden! Hoe kon zulk een buitensporige dwaasheid in iemands bedoeling liggen? Zeer wel wist de engelachtige Leeraar, dat er buiten de kloostermuren duizenden heiligen en onder de strenge pij zeer nalatige vervuilers hunner beloften geleefd hadden. „Het „blijkt" — zegt hij, „dat er volmaakte lieden zijn, die den staat „der volmaaktheid niet hebben omhelsd; en dat er den staat „van volmaaktheid omhelsd hebben, die geen volmaakte heden „zijn(l)." En is de staat der seculiere priesters minder veilig dan die der reguliere, te grooter blijkt hun deugd, wanneer zij zonder zonde leven (2). Nog eens, van den staat is er sprake; het vraagstuk omtrent de persoonlijke verdiensten blijft geheel buiten den gevoerden redetwist: een gehuwde leek kan bij God hooger in verdiensten aangeschreven staan dan een priester, een bisschop of een kloosterling (3).

Bij zijn afgewerkt betoog voegde Thomas zes nieuwe hoofdstukken, tot wederlegging van tegenwerpingen, die hem nog waren ter oore gekomen. Het schoone boek werd daardoor vollediger en belangrijker voor de geschiedenis.

De geheele verhandeling ademt de gewone zakelijkheid en waardigheid van den Aquiner, die zich nochtans beklaagt over de partijzieke opgewondenheid, waardoor zijne tegenstanders noch hun eigen beweringen, noch de daarop gegeven antwoorden bezadigd overwogen (4). De Heilige hoopte door redelijkheid,

(1) De perf. vitae spir. c. XVI.

(2) De perf. vitae spir. c. XX. — Doch de Heilige laat hierop terstond volgen: Et quamvis quilibet sapiens magis eligeret esse tantae virtutis ut etiam inter pericula quaecumque illaesus posset persistere, nullus tarnen nisi insipiens statum periculosiorem ex hoe ipso statui securiori praeferret.

(3) O. c. XXIV.

(4) O. c. XXI. — Verum quidam contentionis studio agitati, neque quae dicunt neque quae audiunt, debite ponderantes, adhuc conantur praedictis contradicentes obviare, quorum obviationes postquam praemissa conscripseram, ad me pervenerunt.

Sluiten