Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet door het voeden der muitkoorts, een gewenschten uitslag te bereiken. „Wij hebben geantwoord — zoo besluit hij zijn geschrift — en ons van schimp onthouden, want, gelijk er geschreven staat: die dwaasheden spreekt is onverstandig; en: „alle dwazen mengen zich in dwaasheden. Mocht iemand tegen „mij willen schrijven, het zal mij allerwelkomst zijn. Nimmer „komt de waarheid beter uit en wordt de dwaling beter weder„legd dan door het bestrijden der tegenspraak, volgens Salomon's „woorden: Ijzer scherpt ijzer, en de blik des eenen scherpt den „blik des anderen. Maar tusschen ons en hen rechte God, die „is gezegend in de eeuwen der eeuwen (1)."

Daar kwam een tegenschrift. Het heette: Over de volmaaktheid en uitmuntendheid van den staat der geestelijken. De schrijver was Nicolaus van Lisieux, een partijgenoot van Willem van St. Amour en bevriend met Gerard van Abbeville (2). — Hem, Nicolaus, was een geschrift in handen gekomen: Over de volmaaktheid van het geestelijk leven, vervaardigd door zekeren Predikheer; een boek, waarin de heilige, kerkelijke hierarchie wordt omvergehaald en het gewone priesterschap verlaagd. Hij meende nu de katholieke leer te moeten verdedigen tegen vijanden, die op hunne volmaaktheden roemen. Daartoe bewogen hem de uitdaging van den schrijver en de broederlijke liefde (3). —

De schrijver beweert vervolgens, dat Thomas de ketterijen van Pelagius, Vigilantius, Joviniaan, Demophilus, Berengarius vernieuwt, en daarbij de dwalingen der Joden en Farizeërs; hij onderwerpt verder zijn boek aan Rome's oordeel en herhaalt, dat bij dezen strijd de kerkelijke hierarchie, het aanzien der overheid en de achtbaarheid der priesterschap zijn ingezet; aan

(1) O. c. XXVI. — Voor de weerlegging van hen, die den kloosterlingen het studeeren, toedienen der H.H. Sacramenten, enz. tot een verwijt maakten, beroept de Heilige zich op zijn vroeger werk tegen Willem van Saint-Amour. — Zie boven bl. 103—109.

(2) Nicolaus Lexoviensis, De perfectione et excellentia status clericorum. — Algemeen en ook in de Hist. litt. de la France, XXI, 492 werd het boek aan Gerard van Abbeville toegeschreven. Uit het Chartularium van DenifleChatelain, I, 498 blijkt, dat Nicolaus de schrijver is.

(3) Cum in manus nostras quidam libellus, qui intitulatur de Perfectione vitae spiritualis, devenisset, a quodam fratre Predicatore editus, etc. — Elders noemt Nicolaus den Aquiner „magnum magistrum". — Zie Denifle, Chartul. I, 498; Hist. litt. de la France, XXI, 492—493.

Sluiten