Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het einde smeekt hij vergiffenis zijner zonden van Hem, die de lof en glorie is der goede priesters (1).

Aldus werkte Nicolaus van Lisieux voor de denkbeelden van meester Willem van St. Amour, en toonde hij zich de rechterhand van meester Gerard van Abbeville. Deze versterkte het geschrevene door het levende woord en verdedigde zijne zaak in akademische lessen (2).

Thomas zag geen reden tot nieuw schriftelijk verweer. Doch het was in de XHIe eeuw niet anders dan ten tijde van den H. Paulus; altijd waren er menschen, door de golven geslingerd, en rondgevoerd met iederen wind der leering (3). Ziende, dat sommigen zich van de zaak, die hij als rechtvaardig beschouwde, hoe langer hoe meer vervreemdden, besloot de Heilige toch een derde werk te schrijven, dat den titel voert: Tegen de leer van hen, die de lieden van het kloosterleven aftrekken (4).

Dit boek is eene aanvulling der twee vroegere pleidooien voor den kloosterstaat (5).

Het uitgangspunt van het betoog is eene grondwaarheid der christelijke zedenleer.

„Het doel van den christelijken godsdienst — zegt Thomas — „schijnt hoofdzakelijk te zijn den mensch van het aardsche los „te maken en voor de geestelijke goederen te bezielen. Hierom „heeft de bewerker en voltrekker des geloofs, Jezus, bij zijne „komst in deze wereld door woord en daad zijnen volgelingen de „verachting der wereldsche goederen geleerd — Hij werd geboren „uit eene maagdelijke moeder, die, schoon zij immer maagd „bleef, toch was uitgehuwelijkt aan eenen werkman; en zoo „deed hij ieder spoor van edele afkomst verdwijnen. Hij werd „geboren te Bethlehem, een onbeduidend stadje in Juda, en wilde

(1) Hist. litt. de la France, XXI, 494.

(2) Denifle, Chart. I, 497 geeft hieromtrent het authentieke bericht van Nicolaus van Lisieux zeiven.

(3) Ephes. IV, 14.

(4) In de oude, voor Thomas' canonisatie-proces opgestelde lijst van diens werken, wordt dit geschrift aldus vermeld: Contra doctrinam retrahentium a religione, contra Geraldos. Dit laatste woord schijnt eenigen grond te geven aan de meening, dat Thomas zijn geschrift niet rechtstreeks tegen Nicolaus maar tegen Gerard richtte.

(5) Zie bl. 103 en 268. Thomas verwijst cap. XII naar zijn boek: De perfec-. tione vitae spiritualis, en cap. XXVI naar zijn: Contra impugnantes.

18.

Sluiten