Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij binnen de grenzen der gematigdheid terug. Bij het ontwikkelen zijner bewijzen legt hij nogmaals er den klemtoon op, dat het wezen der christelijke volmaaktheid bestaat in Christus' tweevoudige liefdewet (1).

Weinig heeft de litteratuur over den kloosterstaat opgeleverd, wat met Sint-Thomas' drie verdedigingsschriften over de bedelorden kan wedijveren. De kloeke handhaving van het goed recht der evangelische raden en der groote kloosterinstellingen was een weldaad voor de XlIIde eeuw, die, schoon met een levendig besef des Christendoms bezield, nochtans in sommige heilrijke uitingen des christelijken levens werd bedreigd door een valsch Aristotelisme; door een voorgewend ascetisme en nagebootste mystiek, waarmee vele, deels overgestrenge, deels allerlosbandigste ketterijen verwant waren; door een gevaarlijke weelderigheid, die in de hohenstaufensche levensopvatting, de lichtzinnigheid van vele troubadours en menestrelen, de dartelheid van rijk geworden poorters en genotzieke edelen steun vond. Deden kloostervijanden zich te goed aan de sophismen van Willem van Saint-Amour, Gerard van Abbeville en Nicolaus van Lisieux; schaterlachten zij bij de verdachte spotternijen van den Reinardus en bij de hekelingen, uit de pen van weinig kiesche zedenmeesters gevloeid; dienden misbruiken, hier en daar abdij en bedecel binnengeslopen of er door simonistische grooten binnengedreven, kwaadwilligen tot voorwendsel; in Albertus den Grooten, Bonaventura en Thomas van Aquino verhieven zich mannen, die van nabij en met veel ondervinding konden oordeelen, en bevoegd om het kloosterleven te schatten naar zijn wezen en het naar zijn innerlijke waardigheid voor te staan.

Alle christeneeuwen legden met hen getuigenis af.

Uit de wildernissen van Syrië en Opper-Egypte wierp het kloosterleven zijn lichtglans over de diepbedorven griekschromeinsche beschaving; waar de woestijnleeuw uitging op roof, ontloken de bloemen van Christus. Uit de eenzaamheid steeg het gebed der boetvaardigen ten Hemel; uit de stille wijkplaats van moedige zelfbeheersching, bewonderenswaardige gewetensreinheid en door ootmoed gesterkte liefde tot God, traden Hieronymus, Basilius, Athanasius en Chrysostomus met hun kloeke deugd en wijsheid in het strijdperk des levens.

(i) O. c. cap. VI.

Sluiten