Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan. Alexander IV zag wel, dat dit draven een verderf van menigen Christen kon worden. Daarom beval hij Albertus den Grooten, toen deze in 1256 aan het pauselijk hof verbleef, Averroës' leer te wederleggen; een opdracht, waaraan wij het geschrift danken: Over de eenheid des ver stands tegen Averroës (1).

Van lieverlede openbaarden zich onder Averroës' blinde bewonderaars groote dwalingen. Het Averroïsme begon een meer afgeteekenden vorm te verkrijgen. Dertien stellingen, den 10 December 1270 door Stephanus Tempier, bisschop van Parijs, veroordeeld, bevatten onder andere de loochening van 's menschen vrijen wil en persoonlijke onsterfelijkheid, van Gods alwetendheid en voorzienigheid, en als kern de bewering, dat het verstand aller menschen numeriek één en hetzelfde is (2).

Het Averroïsme was niet enkel eene dwaalleer op wijsgeerig gebied; bij velen was het tevens eene zeer onchristelijke stemming.

Averroës had zich niet tot een zuiver wijsgeerig gebied bepaald. Over geloof en rede, openbaring en wijsbegeerte waren zijne gevoelens die van een man, wiens verstand de mohammedaansche leer als eene ongerijmdheid verwierp, maar die om met vorst en volk op goeden voet te blijven, den Islam welstaanshalve

(1) De unitate intellectus contra Averroem. Albertus zelf verhaalt ons dien oorsprong van dit werk, in zijne Summa theol. II, 77, memb. 3.

(2) Ziehier de lijst der dertien veroordeelde dwalingen, afgedrukt bij Denifle Chatelain, Chartul. I, 487.

Primus articulus est: Quod intellectus omnium hominum est unus et idem numero.

2. Quod ista est falsa vel impropria: Homo intelligit.

3. Quod voluntas hominis ex necessitate vult et eligit.

4. Quod omnia, quae hic in inferioribus aguntur, subsunt necessitati corporum celestium.

5. Quod mundus est eternus.

6. Quod nunquam fuit primus homo.

7. Quod anima, quae est forma hominis secundum quod homo, corrumpitur corrupto corpore.

8. Quod anima post mortem separata non patitur ab igne corporeo.

9. Quod liberum arbitrium est potentia passiva, non activa; et quod neccessitate movetur ab appetibili.

10. Quod Deus non cognoscit singularia.

11. Quod Deus non cognoscit alia a se.

12. Quod humani actus non reguntur providentia Dei.

13. Quod Deus non potest dare immortalitatem vel incorruptionem rei corruptibili vel mortali.

Sluiten