Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijd, toen men gaarne vragen stelde omtrent 's menschen geestelijk en zedelijk bestaan en de toekomende wereld.

Hier zijn eenige voorbeelden.

Verdient een kruisvaarder, voor zijn vertrek naar het H. Land gestorven, den vollen aflaat? Kan een echtgenoot tegen den wil zijner gade en voor hare deugd duchtende ten kruistocht gaan? Wat is een gelukkiger dood, bij zijn vertrek naar over zee te sterven of bij den terugkeer uit het Heilige Land? Kan het verheerlijkte lichaam der gezaligden met een ander lichaam op dezelfde plaats zijn? Kan de ziel, na hare scheiding van het lichaam, lijden door een stoffelijk vuur? Kan de eene spoediger ontslagen worden dan de andere, wanneer twee zielen te gelijk nederdalen in het louteringsvuur? Draagt de afgestorven ziel kennis van anderen? Stoort het de rust der ontslapenen, wanneer het uitdeelen der door hem voorgeschreven aalmoezen wordt vertraagd? Zullen de lichamen der van God verworpenen onbederfelijk zijn? Zullen zij zonder misvormdheid verrijzen? Zullen geween en de worm hen kwellen ? Zien de veroordeelden na het jongste gericht de glorie der rechtvaardigen? Bestaat het geluk der heiligen voornamelijk in het verstand (1)? En vele vragen meer over de ziel, de engelen, de tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament, over den lijdenden en verheerlijkten Christus en het goddelijk Wezen. Anderen stelden praktische vragen over het burgerlijk leven, over de plichten van leeraren, studenten, gehuwden, kloosterlingen, priesters, bisschoppen. Somtijds denkt men meer aan een grilligen inval dan aan een vraag van wetenschap. Het twintigste artikel van Quodlibetum XII gelijkt een oostersch raadsel. Het luidt: wat is sterker de wijn, eene vrouw, een koning of de waarheid (2) ? Doch de gulheid van den buon fra Tomaso zag zulke afwijkingen somtijds over 't hoofd en zijn geest wist onbeduidende vragen

(1) Quodl. II, art. 16; IV, n; V, 14; I; 21, 22; II, 13, 14; III, 23; III, 21, 22, VI, 13; VII, 11—13; VIII, 16—20. Vgl. met de onjuiste voorstellingen van vele onkatholieke geschiedschrijvers over de kruistochtaflaten en zondenvergeving, wat de H. Thomas tot het verdienen van dien aflaat noodzakelijk noemt. Hij zegt: Ad hoe ergo quod indulgentia alicui valeat.... Tertio requiritur ut sit in statu caritatis ille qui indulgentiam percipere vult. — De aflaat wordt verleend: vere poenitentibus et confessis. — Verder: indulgentia non excusat a contritione et confessione.

(2) Vgl. het apocriefe boek Esdras, III, 4.

Sluiten