Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor den Engel van Aquino een bron van onuitsprekelijk heil. Zoo droeg hij ten jare 1273 op Passiezondag in de napolitaansche kloosterkerk de heilige Geheimen op; vele ridders woonden de verheven godsdienstoefening bij. Alles in den heiligen priester toonde den diepsten eerbied en de levendigste godsvrucht aan. Na de Consecratie geraakte hij geheel in geestverrukking. Hij bad de liturgische gebeden niet verder. Stom en opgetogen stond hij daar in aanbidding verslonden; een dauw van tranen besproeide zijn gelaat: Jezus' bitter lijden had het diepst zijner ziel gewond. Eindelijk wekten de omstaande broeders hem uit dezen onuitsprekelijken toestand. Eenige ridders en kloosterlingen vroegen na het H. Offer, wat den Heilige wedervaren was; doch Thomas bewaarde al deze dingen in zijn hart (1). — Eenige dagen te voren woonde hij, als gewoonlijk, in de kloosterkerk het Completorium of avondkoor bij. Na Simeon's lofzang: „Laat nu, o Heer! Uwen dienaar gaan „in vrede," zong of bad men Notker's smeeklied: Media vita. — Te midden des levens wandelen wij in den dood: wien soek en wij als helper dan U.Heer? Die om onse zonden billijk vertoornd sijt: Heilige God, Heilige Sterke, Heilige en barmhartige Heiland, geef ons aan geen bitteren dood ten prooi. Verstoot ons niet in onsen ouderdom; wanneer de krachten ons begeven, verlaat ons niet, o Heer! Bij: „Ne projicias", Verwerp ons niet in onsen ouderdom; wanneer de krachten ons begeven, was Thomas' geheele ziel in het gebed verslonden. Tranen biggelden langs zijn gelaat (2). Wat ging er om in het engelachtig gemoed? Smeekte het weenend om een genadig oordeel? Gevoelde het, dat de ouderdom reeds zoo vroeg gekomen was? dat de aardsche kracht bezweek? Weende het stille vreugdetranen om het naderend einde van den pelgrimstocht?

Eén trek keert in verschillende berichten omtrent Thomas ten deel gevallen visioenen weder: de aankondiging, dat de loop welhaast volbracht was.

Dit begon reeds in de laatste jaren te Parijs. Daar, zegt men, verscheen den Aquiner zijne ontslapen zuster, de vrome abdis van Sint-Maria te Capua, en openbaarde, hoe zij, tot het lou-

(1) De Tocco, VI, 30.

(2) Media vita in morte sumus: quem quaerimus adjutorem, nisi te Domine? Qui pro peccatis nostris juste irasceris: Sancte Deus, Sancte fortis, Sancte et misericors Salvator, amarae morti ne tradas nos. Ne projicias nos in tempore senectutis: cum defecerit virtus nostra, ne derelinquas nos Domine.

Sluiten