Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1274. Een maand later had de ziekte hare zending volbracht en het aardsche huis gesloopt (1). Gelukkig hij, in wien de dood alleen de lichaamsbanden vond te verbreken! Goud, genot of menschengunst had onze Heilige nimmer nagejaagd; en toen de glorie zijne schreden onafscheidelijk bleef volgen, had hij er zijn hart niet aan gehecht. Nooit had hij op iets anders roem gedragen, dan op het Kruis van onzen Heer Jezus Christus: zijne Liefde was niet van deze aarde, maar wachtte hem in de hemelsche vreugde.

Met Gods heiligen vrede in het hart droeg Thomas gelaten zijne smarten. Was het hem eene beproeving te meer, dat hij niet in een klooster zijner orde sterven mocht, hij vond voor dit leed overvloedigen troost in de aanwezigheid eeniger dierbare ordebroeders en in de hartelijke zorg der goede kloosterlingen, bij wie hij gastvrijheid vond.

Deze gastvrijheid, een der vele bekoorlijke zijden van het middeleeuwsche kloosterleven, uitte zich jegens den liefderijken leeraar met naïeve geestdrift. Fr. Thomas was een Heilige; dit begrepen allen. Hem werd dan de woonkamer van den abt zeiven afgestaan. Wanneer de goedhartige kloosterbroeders in hunne bosschen hout tot verwarming van hunnen kranken gast gingen kappen, mochten hun ezels of muildieren geen dienst doen; maar „om hunne groote godsvrucht voor zulk een heilig man" torsten zij de brandstof op hunne schouderen naar de abdij (2). Doch deze nieuwe soort van hulde kwetste Thomas' nederigheid. „Waar heb ik het aan verdiend, — zeide hij — dat dienaren Gods „zulke lasten van verre aandragen om een mensch te dienen (3) ?" Hoe verlangde zijn rechtschapen hart zich voor zooveel goedheid dankbaar te toonen! Nu wenschten de zonen van den H. Benedictus vurig een wetenschappelijk geschenk tot altijddurend aandenken aan dit bezoek. De Heilige verzamelde daarom zijne snel afnemende krachten en begon voor eenige kloosterlingen Salomon's Hooglied te verklaren (4). Aanvankelijk schrikte Thomas, volgens

(1) Abbas Nicolaus, in Proc. de vita, II, 8.

(2) Abbas Nicolaus, 1. c. — Et dum idem Fr. Thomas jaceret infirmus, monachi dicti monasterii ob magnam devotionem, quam habebant ad ipsum pro igne faciendo, sibi non arbitrantes congruum, quod animalia bruta portarent ligna ad usum tanti viri. Vgl. ook de Tocco, X, 58.

(3) De Tocco, 1. c; Proc. de vita, 1. c.

(4) De Tocco, 1. c.

Sluiten