Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mattheus (Paris) — zijne partijdigheid als geschiedschrijver, 96-97; 100.

Mechtilde (H.) — te Helfta over Albertus Magnus en Thomas Aquinas, 212.

Michael (Paleologus) — onoprecht in zijne onderhandelingen met Rome, 137 — 139-

Moerbeke — zie Willem.

Mohammedanen —hunnescholen en geleerden, 153, 157; - vreedzame strijd van Raymundus van Pefiafort tegen de, 151—153.

Mystiek (de) — van het Soefisme, '54, 156.

Mystiek — in het boekje van Albertus Magnus, De adhaerendo Deo, 56.

Mystiek — beteekenis van Thomas' theologische Summa voor de, 222 —213;

— Dionysius ode Areopagiet« en de, 345—347 i ~ 'n Thomas' leven, 36; 252-254; 261 —262;311 —3125360—364.

N.

Napels — de stad, 17; — de universiteit van, 18; — pogingen van Karei van Anjou voor de universiteit van, 331;

— vreugde over Thomas' komst als leeraar te, 334; — herinneringen aan den H. Thomas te, 364.

Naturalia (parva) — oorsprong dezer benaming, 350; — welke dezer aristotelische kleine Verhandelingen verklaard zijn door Thomas, 350 — 351.

Neoplatonisme — Thomas en het, 193, 322-323, 345-347; - verwantschap van spreekwijzen tusschen Dionysius „den Areopagiet" en het, 345.

Ni eet as — Thomas vanAquinoput uit diens Lucas-catena, 141.

Nicolaus (van Lisieux) — zijn werk Over de volmaaktheid en uitmuntendheid van den staat der geestelijken, 272.

O.

Opuscula — Thomas' Opuscula werken van dankbaarheid en vriend¬

schap, 215 — 216: — onzeker of onwaar aan Thomas toegeschreven, 215, 321.

Origenistische — Thomas bestrijdt de origenistische meening, dat gevallen engelen door God tot een lichaam zouden verwezen zijn, 352.

P.

Parijs — 68, 81, 1215 — lofspraak van Alexander IV op, 111; — generaal kapittel der Dominikanen in 1269 te, 266; — woelingen te, 98, 267,277—278;

— herinnering aan St. Thomas te, 57.

Peckham (Johan) — Verdedigt het

kloosterleven, 273; — bestrijdt eenige punten van Thomas' leer, 309 — 310;

— prijst diens deugd, 310; — strijdt als aartsbisschop van Canterbury voor het Augustinisme, 313.

Perraud (Mgr.) — over den scholastieken redeneervorm, 210.

Petrus (Lombardus) — 72 — 75; — een tweede kommentaar van Thomas op diens Sententies niet te hervinden, 178.

Petrus —Martinus, 18; — d'Ibernia, 18; — van Verona, gedicht van Thomas op diens graf, 260.

Pier (delle Vigne) — bewerkt door zijne Rithmi de openbare meening tegen de bedelorden, 40.

Plato — in de schatting van den H. Augustinus, 189, 190, 322.

Thomas' kritiek en waardeering van, 189-191; 322-323; 345-346; 352; Dionysius „de Areopagiet" en, 345.

Plato's Timeus — en Thomas van Aquino, 191, 288, 323.

Plotinus - en Dionysius „de Areopagiet", 345.

Portret — men kan geen authentiek portret aanwijzen van Thomas van Aquino, 332.

Prediking — aan de universiteiten in de XHIe eeuw, 233 — 235; — hoofdbeginselen bij de prediking in Thomas' tijd, 236 - 237; — Thomas' prediking tegen de ergernis van het Averroïsme>

Sluiten