Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Brief aan de Filippiërs

HOOFDSTUK I

1. Paulus en Timotheus, dienstknechten van Christus Jezus, aan alle heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn,

2. met de opzieners en diakenen. Genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heer Jezus Christus!

Opschrift en groetenis. Paulus laat hier evenals i en 2 Thess. en Filemon zijnen apostolischen titel bij zijnen naam weg, omdat de goede betrekking, waarin hij blijkens den brief tot de gemeente stond, het noemen van zijne apostolische waardigheid niet noodzakelijk maakte. Timotheus, die met Paulus het evangelie in Filippi gepredikt had (Hand. 16: 12 enz), komt hier naast Paulus voor evenals 1 en 2 Thess , 2 Kor., Kol. en Filemon. In de beschrijving van Paulus' bezoek aan Thessalonika vinden wij hem niet, maar wel zendt Paulus hem over Macedonië naar Korinthe (Hand. 19: 22, vgl. 1 Kor. 16: 10), en later komt Timotheus weder met Paulus en anderen te Filippi (Hand. 20: 3, 4). Gedurende Paulus' gevangenschap te Cesarea was hij bij hem (Kol. 1: 1, Filem. 1) evenals in die te Rome, van waaruit Paulus dezen brief schreef. Blijkens 2: 1 9 zou de apostel Timotheus weldra naar Filippi zenden. Wij begrijpen dus, dat Paulus hier Timotheus naast zich vermeldt. Hij vergeet hem evenwel spoedig, want reeds vs. 3 spreekt hij van zichzelven in den ien pers. enkelv. en 2: 19, 20 zegt hij, dat hij Timotheus tot hen zenden zal, alsof Timotheus niet naast hem in het begin voorkwam. — Paulus noemt zichzelven en Timotheus ooüXot, wat hier een ambtsnaam is geworden (vgl. Rom. 1:1, Tit. 1:1, Jud. 1). Uitgedrukt wordt daardoor, dat de apostel zichzelven en de zijnen niet als Christenen in 't algemeen, maar krachtens hun

1

Sluiten