Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten bate van Paulus, waarom zij eene bijzondere groetenis ontvangen. Aan bepaalde personen is gedacht, waartegen het ontbreken van het artikel niet getuigt. Zij houden toezicht op de gemeente en hebben op een bepaald punt zich haar ten dienste gesteld. Zoo wordt i Thess. 5: 12 van icpGÏacapsvot gesproken, die in de gemeente arbeiden. Zoo kent Paulus Ef. 4:11 bepaalde TOijisvs; en ötodtazaXot in de gemeente. Rom. 12: 7 noemt hij gaven in de gemeente als die der oioaaxaXi'a, Stazovta en spreekt 12: 8 van icpotorifisvot. 1 Kor. 12: 29 noemt hij naast de abudoToXoi ook de rpo'f7(tat, ö'.öacjzaXoi en ouvatistc. Ook uit formeel oogpunt is de naam è—fa/.oiz'j'. hier goed te verklaren. Deissmann (Neue Bibelst. S. 57) wijst uit de inscripties aan, dat reeds in de ie eeuw vóór Chr. de Grieken den naam STïtazOTOt voor verschillende beambten naast schrijvers en anderen bezigen. Hij had er aan kunnen toevoegen, dat te Athene reeds in de eerste helft der 5e eeuw vóór Chr. ambtenaren voorkomen, die STTt'axOTOi heetten. 1 Petr. 2: 25 wordt Jezus de 7C0t[rV(v zat ÈTTtazoiro; twv 'boyoyj genoemd. Eerst in de Pastoraalbrieven (1 Tim. 3:2, Tit. 1 : 7) zijn de sittazoTOt bepaalde ambtsdragers. Aan de STütazorat zat ötazovot was de brief in de eerste plaats gericht. Daarom moesten zij 4: 21 de groeten aan de heiligen van Filippi overbrengen. Hieruit spreekt volstrekt geen hiërarchie. 1 Thess. zijn geen bepaalde personen genoemd, aan wie de brief gericht zou zijn. Toch moet dit wel blijkens 1 Thess. 5: 26 het geval geweest zijn. — Vs. 2. Bij /apt; (Gods liefdevolle gezindheid jegens de zondige menschheid) en sipï(vij (de toestand van ongestoord geluk, die het gevolg van de '/apt; is) vgl. mijnen Comm. Kath. Br. bl. 88. De genade en vrede komen van God, die hier onze Vader heet, van wien wij als zijne kinderen zulke gaven kunnen verwachten. En van den Heer Jezus Christus, die hier naast den Vader voorkomt. Met xupto; wordt Hem Goddelijke eer bewezen. Zie daartegen G. Schiüger (Theol. Tijdschr. 1898, bl. 489—517).

3. Ik dank mijnen God, bij al mijn denken aan u,

4. te allen tijde bij al mijn bidden voor u allen met

5. blijdschap het gebed doende, over uwe gemeenschap aan het evangelie van den eersten dag tot nu toe;

6. terwijl ik dit vertrouw, dat Hij, die in u een goed werk begonnen heeft, het voleindigen zal tot op den dag van

7. Christus Jezus, gelijk het voor mij billijk is, dat aangaande

Sluiten