Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschonkene gaven zou aanvangen. Zoo bezigt Paulus fivsta van het denken aan de lezers Rom. 1:9, Ef. 1 : 16, 1 Thes. 1:2, Filem. 4. — Hier beteekent iizi cum Dat het samentreffen van

eene bepaalde omstandigheid. Vgl. Blass, Gramm.1 S. 139.

Haar, tt; p.vsta up.<öv is niet = bij iedere gelegenheid, dat Paulus aan de Filippiërs denkt, maar blijkens tyJ (dat DE weglaten): bij al zijn denken aan de lezers. Hier worden de verschillende gevallen als een geheel samengevat.

Vs. 4. IlavcoTS behoort niet bij eo^aptaTw, waarvan het te ver afstaat, maar bij het volgende. Het algemeene TiavTOTc wordt nader omschreven door sv raar, 0ê7(ast jjlou. Op raar, ligt de nadruk. Niet nu en dan, maar bij ieder gebed denkt Paulus aan de 1'ilippiërs. — } ~sp Tuavcwv Gjuïjv behoort niet bij 03r(a2i Dat Paulus, wanneer hij voor de lezers bidt, aan

hen denkt, zou eene tautologie zijn. De bedoeling is: zoo dikwijls Paulus bidt, dankt hij God voor hen. — Bij „voor u allen met vreugde het gebed doende" ligt de nadruk niet op met vreugde, maar op voor 71 allen. Alle leden der gemeente doen Paulus blijdschap aan, waarom hij in zijn gebed aan hen allen denken kan. De apostel dankt God, zoo dikwijls hij aan de Filippiërs denkt, en dat denken heeft plaats bij ieder gebed. — Vs. 5. tri tv) xotvuma hangt af van sujrapiatcu. dat een object hebben moet. De apostel dankt op grond van de gemeenschap des levens aan het evangelie. Eerst zegt hij. wanneer en daarna, waarvoor hij dankt. Rotvutvta = gemeenschaplijk aandeel aan iets, de door een zotvóv teweeggebrachte gemeenschap. Gewoonlijk wordt door den Gen. uitgedrukt, waaraan men gemeenschap heeft (zie Fil. 3: 10). Hier wordt met het oog op het voorafgaande Ojjkov het gemeenschappelijk aandeel aan het evangelie door si; xo suayysXiov uitgedrukt. In het leven der Filippiërs openbaarde zich hun deelgenootschap aan het evangelie. Het bezit van de goederen werd in hen openbaar, en dat wel van den eersten dag af, dat zij het evangelie vernomen hadden, tot op den tegenwoordigen tijd. Hoe Paulus God dankt, zegt hij ook nog vs. 6. Dankend voor het verledene spreekt de apostel zijne goede verwachting uit voor de toekomst, dat de Christelijke toestand der Filippiërs alzoo blijven zal. Paulus verklaart vs. 6, waarom hij met vreugde bij ieder gebed ook voor hen bidden kan. Met tjt'j toüto omschrijft Paulus zijne bedoeling, bepaalt ze nader (Acc. van

Sluiten