Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nadere betrekking, zie Blass, Gramm.2 S. 96). Hij wijst hiermede terug op de reeds vs. 5 aangeduide volharding. De gemeenschap aan het evangelie verklaart de apostel als een werk Gods, en als zoodanig als een goed werk. Hij, die dit goede werk onder de lezers begonnen heeft, zal het ook voltooien. Deze voltooiing zal plaats hebben tot op den dag van Christus Jezus, den dag der parousie, wanneer verdere ontwikkeling niet meer noodig zal zijn. Bij „dag van Christus Jezus" vgl. den nirv ei" des O. V., den dag des gerichts, waarvan die dag de

nadere ontwikkeling is. — Vs. 7. Bij de verklaring van dit vers bedenke men, dat rdv70c? G(ua; ovta; overtollig is. Paulus heeft bij het dicteeren het begin van den zin vergeten. Hij geloofde, dat God voor de voleinding zorg zou dragen en behoefde daarom niet meer te bidden, koefhó; soxtv ötxatov motiveert — s~oifhu;. Dit vertrouwen is voor Paulus een plicht. — <J>povsïv UTrs'p Ttvo? kan beteekenen: voor iemand zorg dragen, maar behoeft dit niet noodzakelijk aan te duiden. Het kan in verband met toöto hier beteekenen: dit aangaande u te bedenken (syn. vostv, XoftCsaOai), zóó aangaande u gezind te zijn. 'Yïrsp grenst hier in beteekenis na aan rapt (Blass, Gramm.'2 S. 136). — tb ïyew jj.s sv tï) xapoi'a 0[xd? = omdat ik u in mijn hart heb. Dit kan hier niet beteekenen: „omdat ik u liefheb", want Paulus' zedelijke verplichting, eene bepaalde gezindheid aangaande de Filippiërs te koesteren, kan niet hierop rusten, dat hij ze hartelijk liefheeft. Ttösa&ai sv xapoi'a beteekent: iets ter harte nemen (Luk. 1 '• 66, 21: 14, Hand. 5: 4). Zoo is hier s^stv sv tij xapöt'a = iets ter harte genomen hebben, nl. aan iemand of iets denken. Hoe Paulus aan de Filippiërs denkt, blijkt uit het volgende: sv 7S xot; OSOfAOt? fi-OU zxs. = als die mededeelgenooten zijt van de aan mij betoonde genade, welke mij bewezen is in mijne banden, mijne verdediging en bevestiging van het evangelie. "Ev is 7ot; Ssofjiof; . . . s'jotyys)m>j behoort niet bij het voorafgaande, maar bij het volgende. Hoe ver de Filippiërs van Paulus verwijderd waren, zij deelden zoo innig in zijn lief en leed, in zijne gevangenschap, dat hij ze als deelgenooten van de hem betoonde genade beschouwt. Mou, hoewel bij auvxotvtuvoó? kunnend behooren, moet liever bij 7r(; yifi ito; worden gevoegd. Men zou anders ouvzotvcovo'J? 7. y. hebben verwacht. Waarin de genade, hem bewezen, bestond, zegt Paulus: in zijne banden — en als één begrip samengevat —

Sluiten